uiteenlopen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uiteenlopen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uiteenlopen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uiteenlopend
Past participle - Verleden deelwoord: uiteengelopen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikloop uiteen
jijloopt uiteen
hijloopt uiteen
wijlopen uiteen
jullielopen uiteen
zijlopen uiteen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben uiteengelopen
jijbent uiteengelopen
hijis uiteengelopen
wijzijn uiteengelopen
julliezijn uiteengelopen
zijzijn uiteengelopen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikliep uiteen
jijliep uiteen
hijliep uiteen
wijliepen uiteen
jullieliepen uiteen
zijliepen uiteen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas uiteengelopen
jijwas uiteengelopen
hijwas uiteengelopen
wijwaren uiteengelopen
julliewaren uiteengelopen
zijwaren uiteengelopen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uiteenlopen
jijzult uiteenlopen
hijzal uiteenlopen
wijzullen uiteenlopen
julliezullen uiteenlopen
zijzullen uiteenlopen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uiteengelopen zijn
jijzult uiteengelopen zijn
hijzal uiteengelopen zijn
wijzullen uiteengelopen zijn
julliezullen uiteengelopen zijn
zijzullen uiteengelopen zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uiteenlopen
jijzou uiteenlopen
hijzou uiteenlopen
wijzouden uiteenlopen
julliezouden uiteenlopen
zijzouden uiteenlopen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uiteengelopen zijn
jijzou uiteengelopen zijn
hijzou uiteengelopen zijn
wijzouden uiteengelopen zijn
julliezouden uiteengelopen zijn
zijzouden uiteengelopen zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijloop uiteen

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

divergeren
uiteengaan
variëren
verschillen, wisselen

Sample Sentences

Etymology

From uiteen + lopen.

Additional Information