gelukken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gelukken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gelukken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gelukkend
Past participle - Verleden deelwoord: gelukt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgeluk
jijgelukt
hijgelukt
wijgelukken
julliegelukken
zijgelukken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelukt
jijhebt gelukt
hijheeft gelukt
wijhebben gelukt
julliehebben gelukt
zijhebben gelukt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgelukte
jijgelukte
hijgelukte
wijgelukten
julliegelukten
zijgelukten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelukt
jijhad gelukt
hijhad gelukt
wijhadden gelukt
julliehadden gelukt
zijhadden gelukt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gelukken
jijzult gelukken
hijzal gelukken
wijzullen gelukken
julliezullen gelukken
zijzullen gelukken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelukt hebben
jijzult gelukt hebben
hijzal gelukt hebben
wijzullen gelukt hebben
julliezullen gelukt hebben
zijzullen gelukt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gelukken
jijzou gelukken
hijzou gelukken
wijzouden gelukken
julliezouden gelukken
zijzouden gelukken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelukt hebben
jijzou gelukt hebben
hijzou gelukt hebben
wijzouden gelukt hebben
julliezouden gelukt hebben
zijzouden gelukt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgeluk

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

slagen
lukken

Antonyms

slagen
mislukken, misgaan, stranden, stuklopen, vastlopen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch gelucken. Equivalent to geluk + -en.

Additional Information