doorlopen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of doorlopen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: doorlopen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doorlopend
Past participle - Verleden deelwoord: doorlopen; doorgelopen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoorloop; loop door
jijdoorloopt; loopt door
hijdoorloopt; loopt door
wijdoorlopen; lopen door
julliedoorlopen; lopen door
zijdoorlopen; lopen door

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb doorlopen; doorgelopen
jijhebt doorlopen; doorgelopen
hijheeft doorlopen; doorgelopen
wijhebben doorlopen; doorgelopen
julliehebben doorlopen; doorgelopen
zijhebben doorlopen; doorgelopen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoorliep; liep door
jijdoorliep; liep door
hijdoorliep; liep door
wijdoorliepen; liepen door
julliedoorliepen; liepen door
zijdoorliepen; liepen door

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad doorlopen; doorgelopen
jijhad doorlopen; doorgelopen
hijhad doorlopen; doorgelopen
wijhadden doorlopen; doorgelopen
julliehadden doorlopen; doorgelopen
zijhadden doorlopen; doorgelopen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal doorlopen
jijzult doorlopen
hijzal doorlopen
wijzullen doorlopen
julliezullen doorlopen
zijzullen doorlopen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal doorlopen; doorgelopen hebben
jijzult doorlopen; doorgelopen hebben
hijzal doorlopen; doorgelopen hebben
wijzullen doorlopen; doorgelopen hebben
julliezullen doorlopen; doorgelopen hebben
zijzullen doorlopen; doorgelopen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou doorlopen
jijzou doorlopen
hijzou doorlopen
wijzouden doorlopen
julliezouden doorlopen
zijzouden doorlopen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou doorlopen; doorgelopen hebben
jijzou doorlopen; doorgelopen hebben
hijzou doorlopen; doorgelopen hebben
wijzouden doorlopen; doorgelopen hebben
julliezouden doorlopen; doorgelopen hebben
zijzouden doorlopen; doorgelopen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoorloop; loop door

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • [...] gevaarlijke engte door, waar wij, gelijk onze gids zeide, zoo er nog wolven in die streek waren, ze zouden aantreffen; dit was eene kleine vlakte, die tusschen digte bosschen, als eene lange laan doorliep, en die wij door moesten, om het dorp te bereiken, waar wij ons nachtverblijf zouden houden. Een half uur voor zonsondergang trokken wij het eerste bosch door, en even na zonsondergang kwamen wij in [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch dōrelôpen. Equivalent to door- + lopen.

Verbs referencing "doorlopen"

German, old spelling durchlaufen.

Additional Information