paren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of paren

The word "paren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: paren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: parend
Past participle - Verleden deelwoord: gepaard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpaar
jijpaart
hijpaart
wijparen
jullieparen
zijparen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepaard
jijhebt gepaard
hijheeft gepaard
wijhebben gepaard
julliehebben gepaard
zijhebben gepaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpaarde
jijpaarde
hijpaarde
wijpaarden
julliepaarden
zijpaarden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepaard
jijhad gepaard
hijhad gepaard
wijhadden gepaard
julliehadden gepaard
zijhadden gepaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal paren
jijzult paren
hijzal paren
wijzullen paren
julliezullen paren
zijzullen paren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepaard hebben
jijzult gepaard hebben
hijzal gepaard hebben
wijzullen gepaard hebben
julliezullen gepaard hebben
zijzullen gepaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou paren
jijzou paren
hijzou paren
wijzouden paren
julliezouden paren
zijzouden paren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepaard hebben
jijzou gepaard hebben
hijzou gepaard hebben
wijzouden gepaard hebben
julliezouden gepaard hebben
zijzouden gepaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpaar

Verbs similar to 'paren'

Translations

  • copulate, copulate
  • cover, copulate (of animals)
  • geminate, to arrange in pairs
  • mate, copulate
  • mate, pair in order to raise offspring
  • mate, arrange in matched pairs
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From paar. Attested since the 16th century.

    Additional Information