wekken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wekken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wekken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wekkend
Past participle - Verleden deelwoord: gewekt

Cognates

See the 6 cognates of wekken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwek
jijwekt
hijwekt
wijwekken
julliewekken
zijwekken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewekt
jijhebt gewekt
hijheeft gewekt
wijhebben gewekt
julliehebben gewekt
zijhebben gewekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwekte
jijwekte
hijwekte
wijwekten
julliewekten
zijwekten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewekt
jijhad gewekt
hijhad gewekt
wijhadden gewekt
julliehadden gewekt
zijhadden gewekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wekken
jijzult wekken
hijzal wekken
wijzullen wekken
julliezullen wekken
zijzullen wekken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewekt hebben
jijzult gewekt hebben
hijzal gewekt hebben
wijzullen gewekt hebben
julliezullen gewekt hebben
zijzullen gewekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wekken
jijzou wekken
hijzou wekken
wijzouden wekken
julliezouden wekken
zijzouden wekken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewekt hebben
jijzou gewekt hebben
hijzou gewekt hebben
wijzouden gewekt hebben
julliezouden gewekt hebben
zijzouden gewekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwek

Translations

  • awake, to cause someone to stop sleeping
  • awaken, transitive: to cause to become awake
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] in den morgen er op had zitten wachten. Na het sein gehoord te hebben, begaf ik mij te rust, en daar ik dien dag vele vermoeijenissen had doorgestaan, sliep ik zeer vast tot ik door een geweerschot gewekt werd, en op de been springende, hoorde ik iemand mij roepen: " gouverneur ! gouverneur ! " en herkende de stem van den kapitein, die den heuvel opgeklommen, op het schip wees. Hij drukte mij in [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch wecken, from Old Dutch wecken, from Proto-West Germanic *wakkjan, from Proto-Germanic *wakjaną. See: Proto-Germanic '*wakjaną'.

    Verbs referencing "wekken"

    English watch.

    Additional Information