Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: betreden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: betredend
Past participle - Verleden deelwoord: betreed
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | betreed |
| jij | betreedt |
| hij | betreedt |
| wij | betreden |
| jullie | betreden |
| zij | betreden |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb betreed |
| jij | hebt betreed |
| hij | heeft betreed |
| wij | hebben betreed |
| jullie | hebben betreed |
| zij | hebben betreed |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | betreedde |
| jij | betreedde |
| hij | betreedde |
| wij | betreedden |
| jullie | betreedden |
| zij | betreedden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had betreed |
| jij | had betreed |
| hij | had betreed |
| wij | hadden betreed |
| jullie | hadden betreed |
| zij | hadden betreed |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal betreden |
| jij | zult betreden |
| hij | zal betreden |
| wij | zullen betreden |
| jullie | zullen betreden |
| zij | zullen betreden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal betreed hebben |
| jij | zult betreed hebben |
| hij | zal betreed hebben |
| wij | zullen betreed hebben |
| jullie | zullen betreed hebben |
| zij | zullen betreed hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou betreden |
| jij | zou betreden |
| hij | zou betreden |
| wij | zouden betreden |
| jullie | zouden betreden |
| zij | zouden betreden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou betreed hebben |
| jij | zou betreed hebben |
| hij | zou betreed hebben |
| wij | zouden betreed hebben |
| jullie | zouden betreed hebben |
| zij | zouden betreed hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'betreden'
aanbesteden,
aaneensmeden,
aankleden,
aankneden,
aansmeden,
afgorden,
afkleden,
bekleden,
besteden,
betreden,
kleden,
kneden,
kroden,
loden,
omkleden,
ontkleden,
overreden,
smeden,
uitkleden,
Verbs similar to 'betreden'
aftreden,
behoeden,
bekleden,
besteden,
beteren,
betreffen,
betrekken,
betreuren,
optreden,
treden,
Translations
Sample Sentences
-
[...] van angst deed ik menigmaal de gelofte, dat als het God behaagde mij op deze reis te sparen, ik, zoodra ik voet aan wal zette, dadelijk naar mijn vaders huis gaan en nimmer weder een schip betreden zou, maar mij naar zijn raad gedragen en mij nimmer weder in zulk gevaar begeven. Thans zag ik duidelijk hoe waar mijn vader gesproken had over den middelstand, hoe gerust hij zijne dagen gesleten [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] eene geheime magt ons aandrijft ons in ons verderf te storten, al is het dat het bloot voor ons ligt en wij er met open oogen ons in begeven. Zeker kon niets dan eene allerkrachtigste magt mij op de betredene baan voortdrijven, in weerwil van de grondigste bewijzen, de blijkbaarste redenen daartegen, en de onloochenbare waarschuwingen, die ik bij mijne eerste onderneming had ondervonden.
(Robinson Crusoe)
-
[...] dan tien maanden op dit ongelukkig eiland geweest; alle vooruitzigt op bevrijding uit mijn toestand scheen geheel verdwenen; en ik geloofde vast, dat nimmer dit land vroeger door eens menschen voet betreden was geworden. Mijne woning was thans geheel naar mijn zin in orde, en ik verlangde zeer het eiland geheel en al te doorzoeken, en te zien wat het opleverde, buiten hetgeen ik reeds kende.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch betreden. Equivalent to be- + treden.
Verbs referencing "betreden"
English
betread, Swedish
beträda.
Additional Information