Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: snijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snijdend
Past participle - Verleden deelwoord: gesneden
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | snijd; snij |
| jij | snijdt |
| hij | snijdt |
| wij | snijden |
| jullie | snijden |
| zij | snijden |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gesneden |
| jij | hebt gesneden |
| hij | heeft gesneden |
| wij | hebben gesneden |
| jullie | hebben gesneden |
| zij | hebben gesneden |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | sneed |
| jij | sneed |
| hij | sneed |
| wij | sneden |
| jullie | sneden |
| zij | sneden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gesneden |
| jij | had gesneden |
| hij | had gesneden |
| wij | hadden gesneden |
| jullie | hadden gesneden |
| zij | hadden gesneden |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal snijden |
| jij | zult snijden |
| hij | zal snijden |
| wij | zullen snijden |
| jullie | zullen snijden |
| zij | zullen snijden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gesneden hebben |
| jij | zult gesneden hebben |
| hij | zal gesneden hebben |
| wij | zullen gesneden hebben |
| jullie | zullen gesneden hebben |
| zij | zullen gesneden hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou snijden |
| jij | zou snijden |
| hij | zou snijden |
| wij | zouden snijden |
| jullie | zouden snijden |
| zij | zouden snijden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gesneden hebben |
| jij | zou gesneden hebben |
| hij | zou gesneden hebben |
| wij | zouden gesneden hebben |
| jullie | zouden gesneden hebben |
| zij | zouden gesneden hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'snijden'
aaneenrijgen,
aanglijden,
aankijken,
aanrijden,
aanrijgen,
aanschrijden,
aansnijden,
aanstijgen,
aanstrijken,
achternarijden,
achteromkijken,
achteruitrijden,
afkijken,
afkrijgen,
afrijden,
afrijgen,
afsnijden,
afstijgen,
afwijken,
begrijpen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'snijden'
afsnijden,
benijden,
glijden,
inwijden,
knijpen,
lijden,
mijden,
nijgen,
nijpen,
rijden,
Translations
carve, to shape to sculptural effect
cut, to perform an incision
cut, to divide with a sharp instrument
cut, to reduce
slash, to make a broad cut with an edged weapon
whittle, cut or shape wood with a knife
Sample Sentences
-
[...] water te zoeken, dat ik gelukkig vond. Na gedronken, en voor den honger wat tabak in den mond genomen te hebben, klom ik in den boom, en na een korten stok tot mijne verdediging, daar af te hebben gesneden, viel ik, daar ik zeer vermoeid was, in slaap. Ik sliep zoo gerust, als weinigen in mijn toestand zouden gedaan hebben, en ik geloof, dat nimmer een slaap mij zoo verkwikt heeft.
(Robinson Crusoe)
-
[...] kon, benevens een waarloos stuk zeildoek, dat medegenomen was, om de zeilen te herstellen, en het vat vochtig buskruid. Kortom ik bragt al de zeilen er af, hoewel ik genoodzaakt was ze in stukken te snijden, en zooveel te gelijk mede te nemen als ik kon; want ik kon ze niet als zeilen, maar alleen het doek gebruiken.
(Robinson Crusoe)
-
[...] mij in de gedachten, dat ik, bij gebrek van boeken en schrijfgereedschap, met de tijdtelling verward raken zou, en zelfs den zondag niet van de werkdagen onderscheiden kunnen. Om dit te voorkomen sneed ik met mijn mes op een grooten staak, met kapitale letters, het volgende opschrift: IK KWAM HIER AAN WAL DEN 30 SEPTEMBER 1659. en plaatste dit op een staak, in den vorm van een kruis, aan het [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] opschrift: IK KWAM HIER AAN WAL DEN 30 SEPTEMBER 1659. en plaatste dit op een staak, in den vorm van een kruis, aan het strand, waar ik het eerst aan land gekomen was. Op de zijden van dezen stijl sneed ik elken dag een kerf met mijn mes, en elke zevende kerf eens zoo lang als de overigen, en elken eersten dag van de maand weder eens zoo lang, en aldus hield ik mijn almanak, en berekende de weken, [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] ik besloot het te huis te halen of eenig voedsel te brengen; ik ging er dus heen en vond het waar ik het gelaten had. Het kon er ook moeijelijk uit, want het was schier dood van honger. Ik sneed eenige takjes en heesters af en wierp haar die toe, en nadat zij gegeten had, wilde ik haar met een touw wegleiden; maar de honger had haar zoo tam gemaakt, dat zij mij volgde als een hond; en daar [...]
(Robinson Crusoe)
-
Ik had geen sikkel om het te snijden en moest dit dus met een groot mes doen, hetgeen echter gemakkelijk was, daar de oogst niet groot was. Ik sneed alleen de airen af, en bragt die in eene groote mand naar huis, waar ik met [...]
(Robinson Crusoe)
-
Ik had geen sikkel om het te snijden en moest dit dus met een groot mes doen, hetgeen echter gemakkelijk was, daar de oogst niet groot was. Ik sneed alleen de airen af, en bragt die in eene groote mand naar huis, waar ik met mijn handen er het graan uitwreef. Toen dit afgeloopen was, vond ik, dat ik van mijn zaad bijkans twee schepels rijst en [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] zij toch zeer handig en gemakkelijk, om er goederen in te bewaren, of die naar huis te dragen. Als ik bij voorbeeld, eene geit geschoten had, kon ik die aan eenen boom hangen, afhalen, aan stukken snijden, en dan in eene mand naar huis dragen, en even zoo als ik eene schildpad aantrof, kon ik die opensnijden, de eijeren er uithalen, met een paar stukken vleesch, waaraan ik genoeg had, en dragen dit [...]
(Robinson Crusoe)
-
Terwijl Vrijdag op hen vuurde haalde ik mijn mes uit, en sneed de banden door, waarmede de arme mensch gebonden was; hielp hem op de been en vroeg hem in het Portugeesch wie hij was. Hij antwoordde mij in het Latijn een Christen; maar was zoo zwak en flaauw, [...]
(Robinson Crusoe)
-
Oogenblikkelijk sneed ik de gestrengelde biezen los, waarmede zij hem gebonden hadden; en wilde hem ophelpen; maar hij kon niet staan of spreken; maar kermde jammerlijk, meenende naar het schijnt, dat hij alleen [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch sniden, from Old Dutch snīthan, from Proto-West Germanic *snīþan, from Proto-Germanic *snīþaną, from Proto-Indo-European *sneyt- (“to cut”). See: Middle Dutch '
sniden', Proto-Germanic '
*snīþaną'.
Verbs referencing "snijden"
Danish
snide, German, old spelling
schneiden, Luxembourgish
schneiden, Icelandic
sníða, Swedish
snida, German, Pennsylvania
schneide, English
snithe.
Additional Information