beloeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beloeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beloeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beloerend
Past participle - Verleden deelwoord: beloerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeloer
jijbeloert
hijbeloert
wijbeloeren
julliebeloeren
zijbeloeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beloerd
jijhebt beloerd
hijheeft beloerd
wijhebben beloerd
julliehebben beloerd
zijhebben beloerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeloerde
jijbeloerde
hijbeloerde
wijbeloerden
julliebeloerden
zijbeloerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beloerd
jijhad beloerd
hijhad beloerd
wijhadden beloerd
julliehadden beloerd
zijhadden beloerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beloeren
jijzult beloeren
hijzal beloeren
wijzullen beloeren
julliezullen beloeren
zijzullen beloeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beloerd hebben
jijzult beloerd hebben
hijzal beloerd hebben
wijzullen beloerd hebben
julliezullen beloerd hebben
zijzullen beloerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beloeren
jijzou beloeren
hijzou beloeren
wijzouden beloeren
julliezouden beloeren
zijzouden beloeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beloerd hebben
jijzou beloerd hebben
hijzou beloerd hebben
wijzouden beloerd hebben
julliezouden beloerd hebben
zijzouden beloerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeloer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From be- + loeren.

Additional Information