toegaan – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of toegaan

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: toegaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: toegaand
Past participle - Verleden deelwoord: toegegaan

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikga toe
jijgaat toe
hijgaat toe
wijgaan toe
julliegaan toe
zijgaan toe

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben toegegaan
jijbent toegegaan
hijis toegegaan
wijzijn toegegaan
julliezijn toegegaan
zijzijn toegegaan

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikging toe
jijging toe
hijging toe
wijgingen toe
julliegingen toe
zijgingen toe

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas toegegaan
jijwas toegegaan
hijwas toegegaan
wijwaren toegegaan
julliewaren toegegaan
zijwaren toegegaan

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal toegaan
jijzult toegaan
hijzal toegaan
wijzullen toegaan
julliezullen toegaan
zijzullen toegaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal toegegaan zijn
jijzult toegegaan zijn
hijzal toegegaan zijn
wijzullen toegegaan zijn
julliezullen toegegaan zijn
zijzullen toegegaan zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou toegaan
jijzou toegaan
hijzou toegaan
wijzouden toegaan
julliezouden toegaan
zijzouden toegaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou toegegaan zijn
jijzou toegegaan zijn
hijzou toegegaan zijn
wijzouden toegegaan zijn
julliezouden toegegaan zijn
zijzouden toegegaan zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijga toe

Verbs conjugated like 'toegaan'

aangaan, achtergaan, achternagaan, achteruitgaan, afgaan, begaan, doorgaan, gaan, heengaan, ingaan, nagaan, omgaan, ondergaan, ontgaan, opgaan, overgaan, rondgaan, toegaan, uitgaan, vergaan, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'toegaan'

begaan, omgaan, opgaan, toestaan, aangaan, afgaan, doorgaan, gaan, heengaan, ingaan,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afgaan
afstappen
varen
vergaan, verlopen, vorderen

Sample Sentences

Etymology

Additional Information