overgaan – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of overgaan

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: overgaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overgaand
Past participle - Verleden deelwoord: overgegaan

Cognates

See the 3 cognates of overgaan

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikga over
jijgaat over
hijgaat over
wijgaan over
julliegaan over
zijgaan over

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben overgegaan
jijbent overgegaan
hijis overgegaan
wijzijn overgegaan
julliezijn overgegaan
zijzijn overgegaan

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikging over
jijging over
hijging over
wijgingen over
julliegingen over
zijgingen over

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas overgegaan
jijwas overgegaan
hijwas overgegaan
wijwaren overgegaan
julliewaren overgegaan
zijwaren overgegaan

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal overgaan
jijzult overgaan
hijzal overgaan
wijzullen overgaan
julliezullen overgaan
zijzullen overgaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal overgegaan zijn
jijzult overgegaan zijn
hijzal overgegaan zijn
wijzullen overgegaan zijn
julliezullen overgegaan zijn
zijzullen overgegaan zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou overgaan
jijzou overgaan
hijzou overgaan
wijzouden overgaan
julliezouden overgaan
zijzouden overgaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou overgegaan zijn
jijzou overgegaan zijn
hijzou overgegaan zijn
wijzouden overgegaan zijn
julliezouden overgegaan zijn
zijzouden overgegaan zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijga over

Verbs conjugated like 'overgaan'

aangaan, achtergaan, achternagaan, achteruitgaan, afgaan, begaan, doorgaan, gaan, heengaan, ingaan, nagaan, omgaan, ondergaan, ontgaan, opgaan, overgaan, rondgaan, toegaan, uitgaan, vergaan, etc. (List truncated at 20 verbs)

Translations

  • merge, to blend gradually into something else
  • pass, to change from one state to another
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    overschrijden
    passeren
    eindigen
    ophouden, verdwijnen, voorbijgaan

    Antonyms

    eindigen
    beginnen, aanpakken, openen, opzetten, starten

    Sample Sentences

    • De onderkant van de stengel gaat over in de wortel.⁽ᵂᴾ⁾ (The underside of the stem turns into the root.)
    • We gaan over op aardgas. (We are switching to natural gas.)
    • De boerderij ging over op zijn zoon toen hij overleed. (The farm passed on to his son when he died.)
    • Ondanks het moeilijke jaar is de leerling wel overgegaan. (Despite the difficult year, the pupil did pass to the next grade.)
    • De telefoon ging over, maar niemand nam op. (The phone rang, but nobody answered.)

    Etymology

    From over + gaan.

    Verbs referencing "overgaan"

    English overgo.

    Additional Information