Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: ontgaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontgaand
Past participle - Verleden deelwoord: ontgaan
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | ontga |
| jij | ontgaat |
| hij | ontgaat |
| wij | ontgaan |
| jullie | ontgaan |
| zij | ontgaan |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | ben ontgaan |
| jij | bent ontgaan |
| hij | is ontgaan |
| wij | zijn ontgaan |
| jullie | zijn ontgaan |
| zij | zijn ontgaan |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | ontging |
| jij | ontging |
| hij | ontging |
| wij | ontgingen |
| jullie | ontgingen |
| zij | ontgingen |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | was ontgaan |
| jij | was ontgaan |
| hij | was ontgaan |
| wij | waren ontgaan |
| jullie | waren ontgaan |
| zij | waren ontgaan |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal ontgaan |
| jij | zult ontgaan |
| hij | zal ontgaan |
| wij | zullen ontgaan |
| jullie | zullen ontgaan |
| zij | zullen ontgaan |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal ontgaan zijn |
| jij | zult ontgaan zijn |
| hij | zal ontgaan zijn |
| wij | zullen ontgaan zijn |
| jullie | zullen ontgaan zijn |
| zij | zullen ontgaan zijn |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou ontgaan |
| jij | zou ontgaan |
| hij | zou ontgaan |
| wij | zouden ontgaan |
| jullie | zouden ontgaan |
| zij | zouden ontgaan |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou ontgaan zijn |
| jij | zou ontgaan zijn |
| hij | zou ontgaan zijn |
| wij | zouden ontgaan zijn |
| jullie | zouden ontgaan zijn |
| zij | zouden ontgaan zijn |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'ontgaan'
aangaan,
achtergaan,
achternagaan,
achteruitgaan,
afgaan,
begaan,
doorgaan,
gaan,
heengaan,
ingaan,
nagaan,
omgaan,
ondergaan,
ontgaan,
opgaan,
overgaan,
rondgaan,
toegaan,
uitgaan,
vergaan, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'ontgaan'
ingaan,
nagaan,
omgaan,
ontslaan,
ontstaan,
opgaan,
rondgaan,
uitgaan,
aangaan,
afgaan,
Sample Sentences
-
[...] meer aan te denken het land te verlaten, maar mij er, zoo als mijn vader verlangde, te vestigen. Maar helaas, in weinige dagen was deze indruk geheel uitgewischt, en om mijns vaders verwijtingen te ontgaan, vormde ik het besluit stilletjes de vlugt te nemen. Ik handelde echter niet zoo overijld, als mijne eigene drift mij wel aandreef. Ik maakte mij een oogenblik ten nutte, waarin mijne moeder mij [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] Nog een oogenblik stond ik stil om adem te halen, en tot ik van het water vrij was; toen zette ik het op een loopen, zoo snel ik kon naar het land. Maar ik kon de woede van eene volgende zee niet ontgaan, die weder achter mij aankwam, en nog twee malen werd ik door de golven opgeligt en als de vorige reizen voortgestuwd, want het strand was zeer vlak.
(Robinson Crusoe)
-
[...] ook onder de belhamels behoorde. Hij zeide: " neen. " " Welnu, " zeide ik, " laat hen dan gaan, de Voorzienigheid schijnt het, heeft hen doen ontwaken, om hun leven te sparen. Zoo de overigen u nu ontgaan, is het uwe eigene schuld. " Hierdoor aangemoedigd nam hij het geweer op, dat ik hem gegeven had, en stak een pistool in zijn gordel, en ging met zijne twee makkers, ieder met een geweer in de hand, [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From ont- + gaan.
Additional Information