oorloven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of oorloven

The word "oorloven" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: oorloven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oorlovend
Past participle - Verleden deelwoord: geoorloofd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikoorloof
jijoorlooft
hijoorlooft
wijoorloven
jullieoorloven
zijoorloven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geoorloofd
jijhebt geoorloofd
hijheeft geoorloofd
wijhebben geoorloofd
julliehebben geoorloofd
zijhebben geoorloofd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikoorloofde
jijoorloofde
hijoorloofde
wijoorloofden
jullieoorloofden
zijoorloofden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geoorloofd
jijhad geoorloofd
hijhad geoorloofd
wijhadden geoorloofd
julliehadden geoorloofd
zijhadden geoorloofd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal oorloven
jijzult oorloven
hijzal oorloven
wijzullen oorloven
julliezullen oorloven
zijzullen oorloven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geoorloofd hebben
jijzult geoorloofd hebben
hijzal geoorloofd hebben
wijzullen geoorloofd hebben
julliezullen geoorloofd hebben
zijzullen geoorloofd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou oorloven
jijzou oorloven
hijzou oorloven
wijzouden oorloven
julliezouden oorloven
zijzouden oorloven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geoorloofd hebben
jijzou geoorloofd hebben
hijzou geoorloofd hebben
wijzouden geoorloofd hebben
julliezouden geoorloofd hebben
zijzouden geoorloofd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijoorloof

Verbs conjugated like 'oorloven'

aandraven, aaneenkleven, aanschaven, afroven, afschaven, afsloven, beleven, beloven, beroven, beschaven, beven, dichtreven, doven, draven, geloven, kleven, kloven, laven, leven, loven, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'oorloven'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch orloven (first attested 1201), which could have been a new formation based on the elements or- + loven (“to praise”) and influenced by oorlof (“permission”). Otherwise, if inherited, from Old Dutch *irlouven, from Proto-West Germanic *uʀlaubijan, from Proto-Germanic *uzlaubijaną (“to allow, permit”), composed of the same elements. Cognate with Old English ālīefan, German erlauben. See: Proto-Germanic '*uzlaubijaną', German, old spelling 'erlauben'.

Additional Information