kwijten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kwijten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kwijten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kwijtend
Past participle - Verleden deelwoord: gekweten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkwijt
jijkwijt
hijkwijt
wijkwijten
julliekwijten
zijkwijten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekweten
jijhebt gekweten
hijheeft gekweten
wijhebben gekweten
julliehebben gekweten
zijhebben gekweten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkweet
jijkweet
hijkweet
wijkweten
julliekweten
zijkweten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekweten
jijhad gekweten
hijhad gekweten
wijhadden gekweten
julliehadden gekweten
zijhadden gekweten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kwijten
jijzult kwijten
hijzal kwijten
wijzullen kwijten
julliezullen kwijten
zijzullen kwijten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekweten hebben
jijzult gekweten hebben
hijzal gekweten hebben
wijzullen gekweten hebben
julliezullen gekweten hebben
zijzullen gekweten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kwijten
jijzou kwijten
hijzou kwijten
wijzouden kwijten
julliezouden kwijten
zijzouden kwijten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekweten hebben
jijzou gekweten hebben
hijzou gekweten hebben
wijzouden gekweten hebben
julliezouden gekweten hebben
zijzouden gekweten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkwijt

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Middelerwijl hadden Vrijdag en den stuurman zich zoowel van hunne taak gekweten, dat zij de matrozen door hun geroep van den eenen heuvel naar den anderen, en van het eene boschje in het andere gelokt hadden, totdat zij hen niet alleen verschrikkelijk afgemat, maar ook verlaten [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] hun echter niet anders over dan het aan te nemen, en het was thans evenzeer het belang van de achterblijvende gevangenen als van den kapitein, de anderen te overreden, zich trouw van hunnen pligt te kwijten. (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch quiten, from Old French quiter, from Latin quiētāre. See: Middle Dutch 'quiten', Latin 'quieto'.

Verbs referencing "kwijten"

English quit, Swedish kvitta.

Additional Information