splijten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of splijten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: splijten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: splijtend
Past participle - Verleden deelwoord: gespleten

Cognates

See the 4 cognates of splijten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksplijt
jijsplijt
hijsplijt
wijsplijten
julliesplijten
zijsplijten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben gespleten
jijbent gespleten
hijis gespleten
wijzijn gespleten
julliezijn gespleten
zijzijn gespleten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspleet
jijspleet
hijspleet
wijspleten
julliespleten
zijspleten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas gespleten
jijwas gespleten
hijwas gespleten
wijwaren gespleten
julliewaren gespleten
zijwaren gespleten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal splijten
jijzult splijten
hijzal splijten
wijzullen splijten
julliezullen splijten
zijzullen splijten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespleten zijn
jijzult gespleten zijn
hijzal gespleten zijn
wijzullen gespleten zijn
julliezullen gespleten zijn
zijzullen gespleten zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou splijten
jijzou splijten
hijzou splijten
wijzouden splijten
julliezouden splijten
zijzouden splijten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespleten zijn
jijzou gespleten zijn
hijzou gespleten zijn
wijzouden gespleten zijn
julliezouden gespleten zijn
zijzouden gespleten zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijsplijt

Translations

  • slit, split into strips
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    barsten
    knappen, ontploffen, scheuren

    Sample Sentences

    • [...] welke ik niet te water had kunnen brengen. Hij zeide, dat deze groot genoeg was, maar daar ik er geen zorg voor gedragen had, en zij daar drieëntwintig jaren gelegen had, was zij door de zon vaneen gespleten, uitgedroogd en half vermolmd. Vrijdag zeide, dat zulk eene boot goed was, en genoeg eten en drinken kon meenemen, zoo als hij zich uitdrukte. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch spliten, from Old Dutch *splītan, from Proto-West Germanic *splītan, from Proto-Germanic *splītaną. Compare German spleißen, West Frisian and Danish splitte, English split (borrowed from Middle Dutch). See: Middle Dutch 'spliten', Proto-Germanic '*splītaną', German, old spelling 'spleißen'.

    Verbs referencing "splijten"

    Danish splitte, Low Saxon splieten, Luxembourgish spläissen.

    Additional Information