erven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of erven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: erven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ervend
Past participle - Verleden deelwoord: geërfd

Cognates

See the 3 cognates of erven

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikerf
jijerft
hijerft
wijerven
jullieerven
zijerven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geërfd; georven
jijhebt geërfd; georven
hijheeft geërfd; georven
wijhebben geërfd; georven
julliehebben geërfd; georven
zijhebben geërfd; georven

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikerfde
jijerfde
hijerfde
wijerfden
jullieerfden
zijerfden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geërfd; georven
jijhad geërfd; georven
hijhad geërfd; georven
wijhadden geërfd; georven
julliehadden geërfd; georven
zijhadden geërfd; georven

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal erven
jijzult erven
hijzal erven
wijzullen erven
julliezullen erven
zijzullen erven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geërfd; georven hebben
jijzult geërfd; georven hebben
hijzal geërfd; georven hebben
wijzullen geërfd; georven hebben
julliezullen geërfd; georven hebben
zijzullen geërfd; georven hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou erven
jijzou erven
hijzou erven
wijzouden erven
julliezouden erven
zijzouden erven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geërfd; georven hebben
jijzou geërfd; georven hebben
hijzou geërfd; georven hebben
wijzouden geërfd; georven hebben
julliezouden geërfd; georven hebben
zijzouden geërfd; georven hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijerf

Verbs similar to 'erven'

derven, eren, kerven, verven, werven, bergen, beroven, beven, delven, deren,

Translations

  • inherit, to receive property or a title by legal succession etc.
  • inherit, to receive a characteristic by genetic transmission
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch erven, from Proto-West Germanic *arbijan, from Proto-Germanic *arbijaną, denominative from *arbiją, from Proto-Indo-European *h₃erbʰ- (“change allegiance or status or ownership”). Equivalent to erf + -en. See: Middle Dutch 'erven', Proto-Germanic '*arbijaną'.

    Verbs referencing "erven"

    Alemannic German erbe, Luxembourgish ierwen.

    Additional Information