eren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of eren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: eren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: erend
Past participle - Verleden deelwoord: geeërd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikeer
jijeert
hijeert
wijeren
jullieeren
zijeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geeërd
jijhebt geeërd
hijheeft geeërd
wijhebben geeërd
julliehebben geeërd
zijhebben geeërd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikeerde
jijeerde
hijeerde
wijeerden
jullieeerden
zijeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geeërd
jijhad geeërd
hijhad geeërd
wijhadden geeërd
julliehadden geeërd
zijhadden geeërd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal eren
jijzult eren
hijzal eren
wijzullen eren
julliezullen eren
zijzullen eren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geeërd hebben
jijzult geeërd hebben
hijzal geeërd hebben
wijzullen geeërd hebben
julliezullen geeërd hebben
zijzullen geeërd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou eren
jijzou eren
hijzou eren
wijzouden eren
julliezouden eren
zijzouden eren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geeërd hebben
jijzou geeërd hebben
hijzou geeërd hebben
wijzouden geeërd hebben
julliezouden geeërd hebben
zijzouden geeërd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijeer

Translations

  • honor, think of, respect highly
  • honor, confer honour on
  • praise, to give praise to
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Een Prinse van Oranje ben ik, vrij, onverveerd, den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd. (A prince of Orange am I, free, undaunted, the king of Spain I've always honoured.)

    Etymology

    From Middle Dutch êren. Equivalent to eer + -en.

    Additional Information