waken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of waken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: waken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wakend
Past participle - Verleden deelwoord: gewaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwaak
jijwaakt
hijwaakt
wijwaken
julliewaken
zijwaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewaakt
jijhebt gewaakt
hijheeft gewaakt
wijhebben gewaakt
julliehebben gewaakt
zijhebben gewaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwaakte
jijwaakte
hijwaakte
wijwaakten
julliewaakten
zijwaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewaakt
jijhad gewaakt
hijhad gewaakt
wijhadden gewaakt
julliehadden gewaakt
zijhadden gewaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal waken
jijzult waken
hijzal waken
wijzullen waken
julliezullen waken
zijzullen waken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewaakt hebben
jijzult gewaakt hebben
hijzal gewaakt hebben
wijzullen gewaakt hebben
julliezullen gewaakt hebben
zijzullen gewaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou waken
jijzou waken
hijzou waken
wijzouden waken
julliezouden waken
zijzouden waken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewaakt hebben
jijzou gewaakt hebben
hijzou gewaakt hebben
wijzouden gewaakt hebben
julliezouden gewaakt hebben
zijzouden gewaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwaak

Verbs similar to 'waken'

kaken, kwaken, laken, maken, raken, wagen, wanen, aaien, baden, bakken,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • [...] slaap, omdat ik zeer vermoeid was van het roeijen of liever pagaaijen, dat ik in het begin van den dag gedaan had, en van het wandelen naderhand, dat ik maar half wakker werd, en tusschen slapen en waken in, dacht dat ik droomde, dat iemand mij riep. Maar toen de stem herhaaldelijk bleef roepen: " Robin, Robinson Crusoe ! " begon ik eindelijk volkomen wakker te worden, en was in het allerhevigst [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch waken, from Old Dutch wacon, from Proto-West Germanic *wakēn, from Proto-Germanic *wakāną (“to be awake”). See: Middle Dutch 'waken', Old Dutch 'wacon', Proto-Germanic '*wakāną'.

Verbs referencing "waken"

Papiamento wak, Old English wacan.

Additional Information