Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: vermaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vermakend
Past participle - Verleden deelwoord: vermaakt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | vermaak |
| jij | vermaakt |
| hij | vermaakt |
| wij | vermaken |
| jullie | vermaken |
| zij | vermaken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb vermaakt |
| jij | hebt vermaakt |
| hij | heeft vermaakt |
| wij | hebben vermaakt |
| jullie | hebben vermaakt |
| zij | hebben vermaakt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | vermaakte |
| jij | vermaakte |
| hij | vermaakte |
| wij | vermaakten |
| jullie | vermaakten |
| zij | vermaakten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had vermaakt |
| jij | had vermaakt |
| hij | had vermaakt |
| wij | hadden vermaakt |
| jullie | hadden vermaakt |
| zij | hadden vermaakt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal vermaken |
| jij | zult vermaken |
| hij | zal vermaken |
| wij | zullen vermaken |
| jullie | zullen vermaken |
| zij | zullen vermaken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal vermaakt hebben |
| jij | zult vermaakt hebben |
| hij | zal vermaakt hebben |
| wij | zullen vermaakt hebben |
| jullie | zullen vermaakt hebben |
| zij | zullen vermaakt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou vermaken |
| jij | zou vermaken |
| hij | zou vermaken |
| wij | zouden vermaken |
| jullie | zouden vermaken |
| zij | zouden vermaken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou vermaakt hebben |
| jij | zou vermaakt hebben |
| hij | zou vermaakt hebben |
| wij | zouden vermaakt hebben |
| jullie | zouden vermaakt hebben |
| zij | zouden vermaakt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'vermaken'
aanbleken,
aanhaken,
aankweken,
aanmaken,
aanpreken,
aanraken,
aansmeken,
aanstoken,
afhaken,
afkraken,
afmaken,
afpreken,
bekendmaken,
bewaken,
dichtmaken,
dopen,
gapen,
geraken,
inmaken,
inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'vermaken'
overmaken,
vermalen,
geraken,
meemaken,
verbazen,
verdagen,
verhalen,
verjagen,
verjaren,
verlagen,
Sample Sentences
-
[...] ging hij een paar malen ' s weeks en meer, als het goed weder was, met de scheepspinas op de reede visschen. Hij nam dan altijd mij en een jongen Moor mede om te roeijen; wij trachtten dan hem te vermaken, en daar ik behendig en gelukkig in het visschen was, zond hij mij somtijds, als hij visch verlangde, met een zijner bloedverwanten en den knaap op de vischvangst uit.
(Robinson Crusoe)
-
[...] mede heen, omdat het meerendeels in het regensaizoen was, waarin ik weinig kon uitgaan. Binnen ' s huis vond ik, als het regende en ik niet kon uitgaan, altijd bezigheid genoeg, en onder het werk vermaakte ik mij met tot mijn papegaai te praten en hem te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken: Koo, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen mond dan den [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] weêrhielden mij zeven jaren lang hiervan, gedurende welken tijd ik twee neven, kinderen van een mijner broeders, naar mij nam. De oudste, die eenig vermogen bezat, voedde ik als een heer op, en vermaakte hem een deel van mijne bezittingen; den jongste gaf ik aan een scheepskapitein mede, en toen hij na vijf jaren een knap, bedaard en ondernemend jongman was, plaatste ik hem op een schip als [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch vermaken. Equivalent to ver- + maken.
Additional Information