Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: slijpen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: slijpend
Past participle - Verleden deelwoord: geslepen
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | slijp |
| jij | slijpt |
| hij | slijpt |
| wij | slijpen |
| jullie | slijpen |
| zij | slijpen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geslepen |
| jij | hebt geslepen |
| hij | heeft geslepen |
| wij | hebben geslepen |
| jullie | hebben geslepen |
| zij | hebben geslepen |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | sleep |
| jij | sleep |
| hij | sleep |
| wij | slepen |
| jullie | slepen |
| zij | slepen |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geslepen |
| jij | had geslepen |
| hij | had geslepen |
| wij | hadden geslepen |
| jullie | hadden geslepen |
| zij | hadden geslepen |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal slijpen |
| jij | zult slijpen |
| hij | zal slijpen |
| wij | zullen slijpen |
| jullie | zullen slijpen |
| zij | zullen slijpen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geslepen hebben |
| jij | zult geslepen hebben |
| hij | zal geslepen hebben |
| wij | zullen geslepen hebben |
| jullie | zullen geslepen hebben |
| zij | zullen geslepen hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou slijpen |
| jij | zou slijpen |
| hij | zou slijpen |
| wij | zouden slijpen |
| jullie | zouden slijpen |
| zij | zouden slijpen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geslepen hebben |
| jij | zou geslepen hebben |
| hij | zou geslepen hebben |
| wij | zouden geslepen hebben |
| jullie | zouden geslepen hebben |
| zij | zouden geslepen hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'slijpen'
aaneenrijgen,
aanglijden,
aankijken,
aanrijden,
aanrijgen,
aanschrijden,
aansnijden,
aanstijgen,
aanstrijken,
achternarijden,
achteromkijken,
achteruitrijden,
afkijken,
afkrijgen,
afrijden,
afrijgen,
afsnijden,
afstijgen,
afwijken,
begrijpen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'slijpen'
slijten,
blijken,
blijven,
glijden,
grijpen,
knijpen,
lijden,
lijken,
lijmen,
nijpen,
Translations
cut, to form or shape by cutting
hone, to sharpen with a hone
mill, shape, polish, etc, using a machine
sharpen, to make sharp
whet, hone or rub on with some substance for the purpose of sharpening
Sample Sentences
-
[...] te handelen; maar door het kappen en behakken van hard hout, waren zij allen bot en vol scharen geworden. Ik had wel een slijpsteen, maar kon dien niet draaijen, en tegelijk mijn gereedschap er op slijpen. Dit kostte mij meer tijd, dan een staatsman noodig heeft om over landen en volken, of een regter om over leven en dood uitspraak te doen. Eindelijk maakte ik een wiel met een strop, dat ik met mijn [...]
(Robinson Crusoe)
-
28, 29 April. Deze twee dagen bragt ik door met mijne gereedschappen te slijpen; mijn werktuig om den steen te draaijen ging zeer goed.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch slipen, from Old Dutch *slīpan, from Proto-West Germanic *slīpan, from Proto-Germanic *slīpaną. See: Middle Dutch '
slipen', Proto-Germanic '
*slīpaną'.
Verbs referencing "slijpen"
German, old spelling
schleifen, Norwegian
slippe, Luxembourgish
schläifen.
Additional Information