afzetten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afzetten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afzetten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afzettend
Past participle - Verleden deelwoord: afgezet

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzet af
jijzet af
hijzet af
wijzetten af
julliezetten af
zijzetten af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgezet
jijhebt afgezet
hijheeft afgezet
wijhebben afgezet
julliehebben afgezet
zijhebben afgezet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzette af
jijzette af
hijzette af
wijzetten af
julliezetten af
zijzetten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgezet
jijhad afgezet
hijhad afgezet
wijhadden afgezet
julliehadden afgezet
zijhadden afgezet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afzetten
jijzult afzetten
hijzal afzetten
wijzullen afzetten
julliezullen afzetten
zijzullen afzetten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgezet hebben
jijzult afgezet hebben
hijzal afgezet hebben
wijzullen afgezet hebben
julliezullen afgezet hebben
zijzullen afgezet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afzetten
jijzou afzetten
hijzou afzetten
wijzouden afzetten
julliezouden afzetten
zijzouden afzetten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgezet hebben
jijzou afgezet hebben
hijzou afgezet hebben
wijzouden afgezet hebben
julliezouden afgezet hebben
zijzouden afgezet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzet af

Translations

  • amputate, to surgically remove a body part
  • depose, to remove (a leader) from office
  • deposit, to lay down
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afbiezen
    beleggen, omranden, omzomen
    stilzetten
    uitschakelen, uitzetten
    beduvelen
    beetnemen, belazeren, neppen, oplichten
    afbakenen
    afpalen, afrasteren, afsluiten, omheinen
    ontslaan
    wippen

    Sample Sentences

    • [...] rug en droeg hem zoo naar de boot, zette hem voorzigtig op het boord van de kanoe, met zijne voeten er in, ligtte hem vervolgens er geheel in en zette hem naast zijn vader, en vervolgens de boot afzettende, pagaaide hij die langs de kust sneller dan ik loopen kon, schoon het vrij hard woei. Zoo bragt hij ze behouden in de kreek, en hen in de boot latende, liep hij heen om de andere kanoe te halen. [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afsetten. Equivalent to af + zetten.

    Additional Information