namaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of namaken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: namaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: namakend
Past participle - Verleden deelwoord: nagemaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaak na
jijmaakt na
hijmaakt na
wijmaken na
julliemaken na
zijmaken na

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb nagemaakt
jijhebt nagemaakt
hijheeft nagemaakt
wijhebben nagemaakt
julliehebben nagemaakt
zijhebben nagemaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaakte na
jijmaakte na
hijmaakte na
wijmaakten na
julliemaakten na
zijmaakten na

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad nagemaakt
jijhad nagemaakt
hijhad nagemaakt
wijhadden nagemaakt
julliehadden nagemaakt
zijhadden nagemaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal namaken
jijzult namaken
hijzal namaken
wijzullen namaken
julliezullen namaken
zijzullen namaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal nagemaakt hebben
jijzult nagemaakt hebben
hijzal nagemaakt hebben
wijzullen nagemaakt hebben
julliezullen nagemaakt hebben
zijzullen nagemaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou namaken
jijzou namaken
hijzou namaken
wijzouden namaken
julliezouden namaken
zijzouden namaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou nagemaakt hebben
jijzou nagemaakt hebben
hijzou nagemaakt hebben
wijzouden nagemaakt hebben
julliezouden nagemaakt hebben
zijzouden nagemaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaak na

Verbs similar to 'namaken'

aanmaken, afmaken, inmaken, maken, naaien, nalaten, opmaken, smaken, aaien, aanhaken,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

imiteren
nabootsen

Sample Sentences

Etymology

From na (“after”) + maken (“make”).

Additional Information