naaien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of naaien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: naaien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: naaiend
Past participle - Verleden deelwoord: genaaid

Cognates

See the 2 cognates of naaien

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iknaai
jijnaait
hijnaait
wijnaaien
jullienaaien
zijnaaien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb genaaid
jijhebt genaaid
hijheeft genaaid
wijhebben genaaid
julliehebben genaaid
zijhebben genaaid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknaaide
jijnaaide
hijnaaide
wijnaaiden
jullienaaiden
zijnaaiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad genaaid
jijhad genaaid
hijhad genaaid
wijhadden genaaid
julliehadden genaaid
zijhadden genaaid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal naaien
jijzult naaien
hijzal naaien
wijzullen naaien
julliezullen naaien
zijzullen naaien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal genaaid hebben
jijzult genaaid hebben
hijzal genaaid hebben
wijzullen genaaid hebben
julliezullen genaaid hebben
zijzullen genaaid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou naaien
jijzou naaien
hijzou naaien
wijzouden naaien
julliezouden naaien
zijzouden naaien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou genaaid hebben
jijzou genaaid hebben
hijzou genaaid hebben
wijzouden genaaid hebben
julliezouden genaaid hebben
zijzouden genaaid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijnaai

Translations

  • fuck, to have sexual intercourse—obscene or vulgar
  • needle, to pierce with a needle
  • sew, (transitive) use a needle
  • sew, (intransitive) use a needle
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    borduren
    handwerken
    nemen
    neuken
    afhechten
    rijgen, stikken, verstellen
    belazeren
    besodemieteren, flessen, neppen

    Sample Sentences

    • Ik wist dat je me zou naaien! (I knew you would screw me over!)

    Etymology

    From Middle Dutch nâyen, from Old Dutch *nāien, from Proto-Germanic *nēaną. See: Proto-Germanic '*nēaną'.

    Verbs referencing "naaien"

    Sranan nai, Luxembourgish néien, German, Pennsylvania naehe.

    Additional Information