lenen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lenen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lenen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lenend
Past participle - Verleden deelwoord: geleend

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleen
jijleent
hijleent
wijlenen
jullielenen
zijlenen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geleend
jijhebt geleend
hijheeft geleend
wijhebben geleend
julliehebben geleend
zijhebben geleend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleende
jijleende
hijleende
wijleenden
jullieleenden
zijleenden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geleend
jijhad geleend
hijhad geleend
wijhadden geleend
julliehadden geleend
zijhadden geleend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lenen
jijzult lenen
hijzal lenen
wijzullen lenen
julliezullen lenen
zijzullen lenen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geleend hebben
jijzult geleend hebben
hijzal geleend hebben
wijzullen geleend hebben
julliezullen geleend hebben
zijzullen geleend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lenen
jijzou lenen
hijzou lenen
wijzouden lenen
julliezouden lenen
zijzouden lenen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geleend hebben
jijzou geleend hebben
hijzou geleend hebben
wijzouden geleend hebben
julliezouden geleend hebben
zijzouden geleend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleen

Translations

  • borrow, receive temporarily
  • lend, to allow to be used temporarily
  • loan, to lend
  • spot, loan money to somebody
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    uitlenen
    voorschieten
    aanbieden
    geven, helpen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch lênen, from Old Dutch *lēnen, from Proto-West Germanic *laihnijan.

    Verbs referencing "lenen"

    English lend, Old English lænan, German, Pennsylvania lehne, Luxembourgish léinen.

    Additional Information