kenteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kenteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kenteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kenterend
Past participle - Verleden deelwoord: gekenterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkenter
jijkentert
hijkentert
wijkenteren
julliekenteren
zijkenteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekenterd
jijhebt gekenterd
hijheeft gekenterd
wijhebben gekenterd
julliehebben gekenterd
zijhebben gekenterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkenterde
jijkenterde
hijkenterde
wijkenterden
julliekenterden
zijkenterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekenterd
jijhad gekenterd
hijhad gekenterd
wijhadden gekenterd
julliehadden gekenterd
zijhadden gekenterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kenteren
jijzult kenteren
hijzal kenteren
wijzullen kenteren
julliezullen kenteren
zijzullen kenteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekenterd hebben
jijzult gekenterd hebben
hijzal gekenterd hebben
wijzullen gekenterd hebben
julliezullen gekenterd hebben
zijzullen gekenterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kenteren
jijzou kenteren
hijzou kenteren
wijzouden kenteren
julliezouden kenteren
zijzouden kenteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekenterd hebben
jijzou gekenterd hebben
hijzou gekenterd hebben
wijzouden gekenterd hebben
julliezouden gekenterd hebben
zijzouden gekenterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkenter

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

draaien
krimpen, ruimen, wenden
keren
omslaan, veranderen

Sample Sentences

  • [...] te hebben, er uitstapte, en op eene kleine hoogte zitten ging, zeer bedrukt en bezorgd, weifelend tusschen vrees en verlangen om de reis te doen. Terwijl ik zoo zat, bemerkte ik, dat het getij kenterde en de vloed doorkwam, waardoor mijn vertrek, zoo lang deze aanhield, onuitvoerbaar werd. Nu viel het mij in, dat het best ware op de hoogste plek gronds te gaan, die ik vinden kon, en, als ik kon, [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

Borrowed from Low German kenteren. See: Low Saxon 'kenteren'.

Verbs referencing "kenteren"

German, old spelling kentern, Norwegian kantre, Norwegian, nynorsk kantre.

Additional Information