Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: enteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: enterend
Past participle - Verleden deelwoord: geënterd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | enter |
| jij | entert |
| hij | entert |
| wij | enteren |
| jullie | enteren |
| zij | enteren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geënterd |
| jij | hebt geënterd |
| hij | heeft geënterd |
| wij | hebben geënterd |
| jullie | hebben geënterd |
| zij | hebben geënterd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | enterde |
| jij | enterde |
| hij | enterde |
| wij | enterden |
| jullie | enterden |
| zij | enterden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geënterd |
| jij | had geënterd |
| hij | had geënterd |
| wij | hadden geënterd |
| jullie | hadden geënterd |
| zij | hadden geënterd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal enteren |
| jij | zult enteren |
| hij | zal enteren |
| wij | zullen enteren |
| jullie | zullen enteren |
| zij | zullen enteren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geënterd hebben |
| jij | zult geënterd hebben |
| hij | zal geënterd hebben |
| wij | zullen geënterd hebben |
| jullie | zullen geënterd hebben |
| zij | zullen geënterd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou enteren |
| jij | zou enteren |
| hij | zou enteren |
| wij | zouden enteren |
| jullie | zouden enteren |
| zij | zouden enteren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geënterd hebben |
| jij | zou geënterd hebben |
| hij | zou geënterd hebben |
| wij | zouden geënterd hebben |
| jullie | zouden geënterd hebben |
| zij | zouden geënterd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'enteren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'enteren'
centeren,
etteren,
kenteren,
onteren,
tenteren,
acteren,
ankeren,
beteren,
boteren,
censeren,
Translations
board, nautical: to capture an enemy ship
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] Niemand was echter bij ons getroffen, daar al ons volk zich omlaag hield. Hij maakte zich tot een nieuwen aanval, en wij tot verdediging gereed; doch toen hij ons op de andere zijde aan boord kwam, enterde hij met negentig man, die dadelijk het tuig kapten en het dek. Twee maal dreven wij hen met klein geweervuur, halve pieken, handgranaten, enz., van ons dek af. Eindelijk echter, om deze treurige [...]
(Robinson Crusoe)
-
Ik vroeg den kapitein of hij met dit volk het durfde wagen het schip te enteren, want dat ik het best oordeelde, dat ik en mijn knecht Vrijdag niet medegingen, omdat zij zeven man hier achterlieten en wij genoeg te doen hadden met hen gescheiden te houden en van levensmiddelen [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
Borrowed from Spanish entrar, from Old Spanish entrar, from Latin intrō. See: Spanish '
entrar', Latin '
intrō'.
Verbs referencing "enteren"
German, old spelling
entern, Swedish
äntra.
Additional Information