enteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of enteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: enteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: enterend
Past participle - Verleden deelwoord: geënterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikenter
jijentert
hijentert
wijenteren
jullieenteren
zijenteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geënterd
jijhebt geënterd
hijheeft geënterd
wijhebben geënterd
julliehebben geënterd
zijhebben geënterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikenterde
jijenterde
hijenterde
wijenterden
jullieenterden
zijenterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geënterd
jijhad geënterd
hijhad geënterd
wijhadden geënterd
julliehadden geënterd
zijhadden geënterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal enteren
jijzult enteren
hijzal enteren
wijzullen enteren
julliezullen enteren
zijzullen enteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geënterd hebben
jijzult geënterd hebben
hijzal geënterd hebben
wijzullen geënterd hebben
julliezullen geënterd hebben
zijzullen geënterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou enteren
jijzou enteren
hijzou enteren
wijzouden enteren
julliezouden enteren
zijzouden enteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geënterd hebben
jijzou geënterd hebben
hijzou geënterd hebben
wijzouden geënterd hebben
julliezouden geënterd hebben
zijzouden geënterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijenter

Translations

  • board, nautical: to capture an enemy ship
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] Niemand was echter bij ons getroffen, daar al ons volk zich omlaag hield. Hij maakte zich tot een nieuwen aanval, en wij tot verdediging gereed; doch toen hij ons op de andere zijde aan boord kwam, enterde hij met negentig man, die dadelijk het tuig kapten en het dek. Twee maal dreven wij hen met klein geweervuur, halve pieken, handgranaten, enz., van ons dek af. Eindelijk echter, om deze treurige [...] (Robinson Crusoe)
    • Ik vroeg den kapitein of hij met dit volk het durfde wagen het schip te enteren, want dat ik het best oordeelde, dat ik en mijn knecht Vrijdag niet medegingen, omdat zij zeven man hier achterlieten en wij genoeg te doen hadden met hen gescheiden te houden en van levensmiddelen [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    Borrowed from Spanish entrar, from Old Spanish entrar, from Latin intrō. See: Spanish 'entrar', Latin 'intrō'.

    Verbs referencing "enteren"

    German, old spelling entern, Swedish äntra.

    Additional Information