denoteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of denoteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: denoteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: denoterend
Past participle - Verleden deelwoord: gedenoteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdenoteer
jijdenoteert
hijdenoteert
wijdenoteren
julliedenoteren
zijdenoteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedenoteerd
jijhebt gedenoteerd
hijheeft gedenoteerd
wijhebben gedenoteerd
julliehebben gedenoteerd
zijhebben gedenoteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdenoteerde
jijdenoteerde
hijdenoteerde
wijdenoteerden
julliedenoteerden
zijdenoteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedenoteerd
jijhad gedenoteerd
hijhad gedenoteerd
wijhadden gedenoteerd
julliehadden gedenoteerd
zijhadden gedenoteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal denoteren
jijzult denoteren
hijzal denoteren
wijzullen denoteren
julliezullen denoteren
zijzullen denoteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedenoteerd hebben
jijzult gedenoteerd hebben
hijzal gedenoteerd hebben
wijzullen gedenoteerd hebben
julliezullen gedenoteerd hebben
zijzullen gedenoteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou denoteren
jijzou denoteren
hijzou denoteren
wijzouden denoteren
julliezouden denoteren
zijzouden denoteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedenoteerd hebben
jijzou gedenoteerd hebben
hijzou gedenoteerd hebben
wijzouden gedenoteerd hebben
julliezouden gedenoteerd hebben
zijzouden gedenoteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdenoteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information