ruimen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ruimen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ruimen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ruimend
Past participle - Verleden deelwoord: geruimd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikruim
jijruimt
hijruimt
wijruimen
jullieruimen
zijruimen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geruimd
jijhebt geruimd
hijheeft geruimd
wijhebben geruimd
julliehebben geruimd
zijhebben geruimd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikruimde
jijruimde
hijruimde
wijruimden
jullieruimden
zijruimden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geruimd
jijhad geruimd
hijhad geruimd
wijhadden geruimd
julliehadden geruimd
zijhadden geruimd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ruimen
jijzult ruimen
hijzal ruimen
wijzullen ruimen
julliezullen ruimen
zijzullen ruimen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geruimd hebben
jijzult geruimd hebben
hijzal geruimd hebben
wijzullen geruimd hebben
julliezullen geruimd hebben
zijzullen geruimd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ruimen
jijzou ruimen
hijzou ruimen
wijzouden ruimen
julliezouden ruimen
zijzouden ruimen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geruimd hebben
jijzou geruimd hebben
hijzou geruimd hebben
wijzouden geruimd hebben
julliezouden geruimd hebben
zijzouden geruimd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijruim

Translations

  • cull, to select animals from a group and then kill them
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    ordenen
    schikken
    opruimen
    schoonmaken, wegruimen
    snoeien
    uitdunnen

    Sample Sentences

    • 4 Mei. Ik begon met mijne zaag een balk door te zagen, die ik mij verbeeldde, dat een deel van het halfdek bijeenhield; en toen hij doorgezaagd was, ruimde ik zoo veel ik kon het zand weg van den kant, die het hoogst lag, maar toen de vloed doorkwam, was ik verpligt dit werk voor ' s hands te staken. (Robinson Crusoe)
    • [...] eene heining om, en over dag schoot ik sommige beesten, en bij nacht liet ik mijn hond de wacht houden, dien ik aan een paal bij den ingang vast bond, waar hij den geheelen nacht door blafte; dus ruimden de vijanden spoedig het veld, en het graan begon welig op te schieten. (Robinson Crusoe)
    • [...] zoo dat de grond daar laag afliep. Hieraan begon ik weder met ontzettende moeite; maar wie vraagt naar moeite bij het vooruitzigt op zijne bevrijding ? Maar toen deze moeijelijkheid uit den weg geruimd was, was er slechts één bezwaar overwonnen, want ik kon de kanoe even min bewegen als vroeger de andere boot. Ik mat daarop den afstand, en daar ik de kanoe niet naar het water kon brengen, besloot [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch rumen, from Old Dutch *rūmen, from Proto-Germanic *rūmijaną. Derived from the adjective *rūmaz and/or the noun *rūmą, from which Dutch ruim. Cognate of räumen. See: Proto-Germanic '*rūmijaną'.

    Verbs referencing "ruimen"

    Luxembourgish raumen.

    Additional Information