Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: ruimen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ruimend
Past participle - Verleden deelwoord: geruimd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | ruim |
| jij | ruimt |
| hij | ruimt |
| wij | ruimen |
| jullie | ruimen |
| zij | ruimen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geruimd |
| jij | hebt geruimd |
| hij | heeft geruimd |
| wij | hebben geruimd |
| jullie | hebben geruimd |
| zij | hebben geruimd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | ruimde |
| jij | ruimde |
| hij | ruimde |
| wij | ruimden |
| jullie | ruimden |
| zij | ruimden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geruimd |
| jij | had geruimd |
| hij | had geruimd |
| wij | hadden geruimd |
| jullie | hadden geruimd |
| zij | hadden geruimd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal ruimen |
| jij | zult ruimen |
| hij | zal ruimen |
| wij | zullen ruimen |
| jullie | zullen ruimen |
| zij | zullen ruimen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geruimd hebben |
| jij | zult geruimd hebben |
| hij | zal geruimd hebben |
| wij | zullen geruimd hebben |
| jullie | zullen geruimd hebben |
| zij | zullen geruimd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou ruimen |
| jij | zou ruimen |
| hij | zou ruimen |
| wij | zouden ruimen |
| jullie | zouden ruimen |
| zij | zouden ruimen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geruimd hebben |
| jij | zou geruimd hebben |
| hij | zou geruimd hebben |
| wij | zouden geruimd hebben |
| jullie | zouden geruimd hebben |
| zij | zouden geruimd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'ruimen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'ruimen'
ruiken,
ruilen,
bruisen,
buigen,
druilen,
druipen,
duiden,
duiken,
fuiven,
huilen,
Translations
cull, to select animals from a group and then kill them
Sample Sentences
-
4 Mei. Ik begon met mijne zaag een balk door te zagen, die ik mij verbeeldde, dat een deel van het halfdek bijeenhield; en toen hij doorgezaagd was, ruimde ik zoo veel ik kon het zand weg van den kant, die het hoogst lag, maar toen de vloed doorkwam, was ik verpligt dit werk voor ' s hands te staken.
(Robinson Crusoe)
-
[...] eene heining om, en over dag schoot ik sommige beesten, en bij nacht liet ik mijn hond de wacht houden, dien ik aan een paal bij den ingang vast bond, waar hij den geheelen nacht door blafte; dus ruimden de vijanden spoedig het veld, en het graan begon welig op te schieten.
(Robinson Crusoe)
-
[...] zoo dat de grond daar laag afliep. Hieraan begon ik weder met ontzettende moeite; maar wie vraagt naar moeite bij het vooruitzigt op zijne bevrijding ? Maar toen deze moeijelijkheid uit den weg geruimd was, was er slechts één bezwaar overwonnen, want ik kon de kanoe even min bewegen als vroeger de andere boot. Ik mat daarop den afstand, en daar ik de kanoe niet naar het water kon brengen, besloot [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch rumen, from Old Dutch *rūmen, from Proto-Germanic *rūmijaną. Derived from the adjective *rūmaz and/or the noun *rūmą, from which Dutch ruim. Cognate of räumen. See: Proto-Germanic '
*rūmijaną'.
Verbs referencing "ruimen"
Luxembourgish
raumen.
Additional Information