jubileren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jubileren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jubileren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jubilerend
Past participle - Verleden deelwoord: gejubileerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjubileer
jijjubileert
hijjubileert
wijjubileren
julliejubileren
zijjubileren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejubileerd
jijhebt gejubileerd
hijheeft gejubileerd
wijhebben gejubileerd
julliehebben gejubileerd
zijhebben gejubileerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjubileerde
jijjubileerde
hijjubileerde
wijjubileerden
julliejubileerden
zijjubileerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejubileerd
jijhad gejubileerd
hijhad gejubileerd
wijhadden gejubileerd
julliehadden gejubileerd
zijhadden gejubileerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jubileren
jijzult jubileren
hijzal jubileren
wijzullen jubileren
julliezullen jubileren
zijzullen jubileren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejubileerd hebben
jijzult gejubileerd hebben
hijzal gejubileerd hebben
wijzullen gejubileerd hebben
julliezullen gejubileerd hebben
zijzullen gejubileerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jubileren
jijzou jubileren
hijzou jubileren
wijzouden jubileren
julliezouden jubileren
zijzouden jubileren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejubileerd hebben
jijzou gejubileerd hebben
hijzou gejubileerd hebben
wijzouden gejubileerd hebben
julliezouden gejubileerd hebben
zijzouden gejubileerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjubileer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information