auditeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of auditeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: auditeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: auditerend
Past participle - Verleden deelwoord: geauditeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikauditeer
jijauditeert
hijauditeert
wijauditeren
jullieauditeren
zijauditeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geauditeerd
jijhebt geauditeerd
hijheeft geauditeerd
wijhebben geauditeerd
julliehebben geauditeerd
zijhebben geauditeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikauditeerde
jijauditeerde
hijauditeerde
wijauditeerden
jullieauditeerden
zijauditeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geauditeerd
jijhad geauditeerd
hijhad geauditeerd
wijhadden geauditeerd
julliehadden geauditeerd
zijhadden geauditeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal auditeren
jijzult auditeren
hijzal auditeren
wijzullen auditeren
julliezullen auditeren
zijzullen auditeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geauditeerd hebben
jijzult geauditeerd hebben
hijzal geauditeerd hebben
wijzullen geauditeerd hebben
julliezullen geauditeerd hebben
zijzullen geauditeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou auditeren
jijzou auditeren
hijzou auditeren
wijzouden auditeren
julliezouden auditeren
zijzouden auditeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geauditeerd hebben
jijzou geauditeerd hebben
hijzou geauditeerd hebben
wijzouden geauditeerd hebben
julliezouden geauditeerd hebben
zijzouden geauditeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijauditeer

Translations

  • audition, take part in such a performance
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From auditie + -eren, as if from a hypothetical Latin *auditō.

    Additional Information