ambuleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ambuleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ambuleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ambulerend
Past participle - Verleden deelwoord: geambuleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikambuleer
jijambuleert
hijambuleert
wijambuleren
jullieambuleren
zijambuleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geambuleerd
jijhebt geambuleerd
hijheeft geambuleerd
wijhebben geambuleerd
julliehebben geambuleerd
zijhebben geambuleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikambuleerde
jijambuleerde
hijambuleerde
wijambuleerden
jullieambuleerden
zijambuleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geambuleerd
jijhad geambuleerd
hijhad geambuleerd
wijhadden geambuleerd
julliehadden geambuleerd
zijhadden geambuleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ambuleren
jijzult ambuleren
hijzal ambuleren
wijzullen ambuleren
julliezullen ambuleren
zijzullen ambuleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geambuleerd hebben
jijzult geambuleerd hebben
hijzal geambuleerd hebben
wijzullen geambuleerd hebben
julliezullen geambuleerd hebben
zijzullen geambuleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ambuleren
jijzou ambuleren
hijzou ambuleren
wijzouden ambuleren
julliezouden ambuleren
zijzouden ambuleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geambuleerd hebben
jijzou geambuleerd hebben
hijzou geambuleerd hebben
wijzouden geambuleerd hebben
julliezouden geambuleerd hebben
zijzouden geambuleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijambuleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information