jumeleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jumeleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jumeleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jumelerend
Past participle - Verleden deelwoord: gejumeleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjumeleer
jijjumeleert
hijjumeleert
wijjumeleren
julliejumeleren
zijjumeleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejumeleerd
jijhebt gejumeleerd
hijheeft gejumeleerd
wijhebben gejumeleerd
julliehebben gejumeleerd
zijhebben gejumeleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjumeleerde
jijjumeleerde
hijjumeleerde
wijjumeleerden
julliejumeleerden
zijjumeleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejumeleerd
jijhad gejumeleerd
hijhad gejumeleerd
wijhadden gejumeleerd
julliehadden gejumeleerd
zijhadden gejumeleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jumeleren
jijzult jumeleren
hijzal jumeleren
wijzullen jumeleren
julliezullen jumeleren
zijzullen jumeleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejumeleerd hebben
jijzult gejumeleerd hebben
hijzal gejumeleerd hebben
wijzullen gejumeleerd hebben
julliezullen gejumeleerd hebben
zijzullen gejumeleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jumeleren
jijzou jumeleren
hijzou jumeleren
wijzouden jumeleren
julliezouden jumeleren
zijzouden jumeleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejumeleerd hebben
jijzou gejumeleerd hebben
hijzou gejumeleerd hebben
wijzouden gejumeleerd hebben
julliezouden gejumeleerd hebben
zijzouden gejumeleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjumeleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information