judiceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of judiceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: judiceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: judicerend
Past participle - Verleden deelwoord: gejudiceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjudiceer
jijjudiceert
hijjudiceert
wijjudiceren
julliejudiceren
zijjudiceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejudiceerd
jijhebt gejudiceerd
hijheeft gejudiceerd
wijhebben gejudiceerd
julliehebben gejudiceerd
zijhebben gejudiceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjudiceerde
jijjudiceerde
hijjudiceerde
wijjudiceerden
julliejudiceerden
zijjudiceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejudiceerd
jijhad gejudiceerd
hijhad gejudiceerd
wijhadden gejudiceerd
julliehadden gejudiceerd
zijhadden gejudiceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal judiceren
jijzult judiceren
hijzal judiceren
wijzullen judiceren
julliezullen judiceren
zijzullen judiceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejudiceerd hebben
jijzult gejudiceerd hebben
hijzal gejudiceerd hebben
wijzullen gejudiceerd hebben
julliezullen gejudiceerd hebben
zijzullen gejudiceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou judiceren
jijzou judiceren
hijzou judiceren
wijzouden judiceren
julliezouden judiceren
zijzouden judiceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejudiceerd hebben
jijzou gejudiceerd hebben
hijzou gejudiceerd hebben
wijzouden gejudiceerd hebben
julliezouden gejudiceerd hebben
zijzouden gejudiceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjudiceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information