insemineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of insemineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: insemineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inseminerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnsemineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinsemineer
jijinsemineert
hijinsemineert
wijinsemineren
jullieinsemineren
zijinsemineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnsemineerd
jijhebt geïnsemineerd
hijheeft geïnsemineerd
wijhebben geïnsemineerd
julliehebben geïnsemineerd
zijhebben geïnsemineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinsemineerde
jijinsemineerde
hijinsemineerde
wijinsemineerden
jullieinsemineerden
zijinsemineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnsemineerd
jijhad geïnsemineerd
hijhad geïnsemineerd
wijhadden geïnsemineerd
julliehadden geïnsemineerd
zijhadden geïnsemineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal insemineren
jijzult insemineren
hijzal insemineren
wijzullen insemineren
julliezullen insemineren
zijzullen insemineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnsemineerd hebben
jijzult geïnsemineerd hebben
hijzal geïnsemineerd hebben
wijzullen geïnsemineerd hebben
julliezullen geïnsemineerd hebben
zijzullen geïnsemineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou insemineren
jijzou insemineren
hijzou insemineren
wijzouden insemineren
julliezouden insemineren
zijzouden insemineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnsemineerd hebben
jijzou geïnsemineerd hebben
hijzou geïnsemineerd hebben
wijzouden geïnsemineerd hebben
julliezouden geïnsemineerd hebben
zijzouden geïnsemineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinsemineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information