inclineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inclineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inclineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inclinerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnclineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinclineer
jijinclineert
hijinclineert
wijinclineren
jullieinclineren
zijinclineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnclineerd
jijhebt geïnclineerd
hijheeft geïnclineerd
wijhebben geïnclineerd
julliehebben geïnclineerd
zijhebben geïnclineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinclineerde
jijinclineerde
hijinclineerde
wijinclineerden
jullieinclineerden
zijinclineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnclineerd
jijhad geïnclineerd
hijhad geïnclineerd
wijhadden geïnclineerd
julliehadden geïnclineerd
zijhadden geïnclineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inclineren
jijzult inclineren
hijzal inclineren
wijzullen inclineren
julliezullen inclineren
zijzullen inclineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnclineerd hebben
jijzult geïnclineerd hebben
hijzal geïnclineerd hebben
wijzullen geïnclineerd hebben
julliezullen geïnclineerd hebben
zijzullen geïnclineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inclineren
jijzou inclineren
hijzou inclineren
wijzouden inclineren
julliezouden inclineren
zijzouden inclineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnclineerd hebben
jijzou geïnclineerd hebben
hijzou geïnclineerd hebben
wijzouden geïnclineerd hebben
julliezouden geïnclineerd hebben
zijzouden geïnclineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinclineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information