inspireren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inspireren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inspireren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inspirerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnspireerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinspireer
jijinspireert
hijinspireert
wijinspireren
jullieinspireren
zijinspireren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnspireerd
jijhebt geïnspireerd
hijheeft geïnspireerd
wijhebben geïnspireerd
julliehebben geïnspireerd
zijhebben geïnspireerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinspireerde
jijinspireerde
hijinspireerde
wijinspireerden
jullieinspireerden
zijinspireerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnspireerd
jijhad geïnspireerd
hijhad geïnspireerd
wijhadden geïnspireerd
julliehadden geïnspireerd
zijhadden geïnspireerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inspireren
jijzult inspireren
hijzal inspireren
wijzullen inspireren
julliezullen inspireren
zijzullen inspireren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnspireerd hebben
jijzult geïnspireerd hebben
hijzal geïnspireerd hebben
wijzullen geïnspireerd hebben
julliezullen geïnspireerd hebben
zijzullen geïnspireerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inspireren
jijzou inspireren
hijzou inspireren
wijzouden inspireren
julliezouden inspireren
zijzouden inspireren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnspireerd hebben
jijzou geïnspireerd hebben
hijzou geïnspireerd hebben
wijzouden geïnspireerd hebben
julliezouden geïnspireerd hebben
zijzouden geïnspireerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinspireer

Translations

  • inspire, to infuse into the mind; to communicate to the spirit
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Latin īnspīrāre. See: Latin 'inspiro'.

    Additional Information