interneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of interneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: interneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: internerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnterneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinterneer
jijinterneert
hijinterneert
wijinterneren
jullieinterneren
zijinterneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnterneerd
jijhebt geïnterneerd
hijheeft geïnterneerd
wijhebben geïnterneerd
julliehebben geïnterneerd
zijhebben geïnterneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinterneerde
jijinterneerde
hijinterneerde
wijinterneerden
jullieinterneerden
zijinterneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnterneerd
jijhad geïnterneerd
hijhad geïnterneerd
wijhadden geïnterneerd
julliehadden geïnterneerd
zijhadden geïnterneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal interneren
jijzult interneren
hijzal interneren
wijzullen interneren
julliezullen interneren
zijzullen interneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnterneerd hebben
jijzult geïnterneerd hebben
hijzal geïnterneerd hebben
wijzullen geïnterneerd hebben
julliezullen geïnterneerd hebben
zijzullen geïnterneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou interneren
jijzou interneren
hijzou interneren
wijzouden interneren
julliezouden interneren
zijzouden interneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnterneerd hebben
jijzou geïnterneerd hebben
hijzou geïnterneerd hebben
wijzouden geïnterneerd hebben
julliezouden geïnterneerd hebben
zijzouden geïnterneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinterneer

Translations

  • intern, to imprison (transitive)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information