intimideren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of intimideren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: intimideren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: intimiderend
Past participle - Verleden deelwoord: geïntimideerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikintimideer
jijintimideert
hijintimideert
wijintimideren
jullieintimideren
zijintimideren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïntimideerd
jijhebt geïntimideerd
hijheeft geïntimideerd
wijhebben geïntimideerd
julliehebben geïntimideerd
zijhebben geïntimideerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikintimideerde
jijintimideerde
hijintimideerde
wijintimideerden
jullieintimideerden
zijintimideerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïntimideerd
jijhad geïntimideerd
hijhad geïntimideerd
wijhadden geïntimideerd
julliehadden geïntimideerd
zijhadden geïntimideerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal intimideren
jijzult intimideren
hijzal intimideren
wijzullen intimideren
julliezullen intimideren
zijzullen intimideren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïntimideerd hebben
jijzult geïntimideerd hebben
hijzal geïntimideerd hebben
wijzullen geïntimideerd hebben
julliezullen geïntimideerd hebben
zijzullen geïntimideerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou intimideren
jijzou intimideren
hijzou intimideren
wijzouden intimideren
julliezouden intimideren
zijzouden intimideren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïntimideerd hebben
jijzou geïntimideerd hebben
hijzou geïntimideerd hebben
wijzouden geïntimideerd hebben
julliezouden geïntimideerd hebben
zijzouden geïntimideerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijintimideer

Translations

  • browbeat, to bully in an intimidating way
  • intimidate, to make timid or fearful
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information