insinueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of insinueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: insinueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: insinuerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnsinueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinsinueer
jijinsinueert
hijinsinueert
wijinsinueren
jullieinsinueren
zijinsinueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnsinueerd
jijhebt geïnsinueerd
hijheeft geïnsinueerd
wijhebben geïnsinueerd
julliehebben geïnsinueerd
zijhebben geïnsinueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinsinueerde
jijinsinueerde
hijinsinueerde
wijinsinueerden
jullieinsinueerden
zijinsinueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnsinueerd
jijhad geïnsinueerd
hijhad geïnsinueerd
wijhadden geïnsinueerd
julliehadden geïnsinueerd
zijhadden geïnsinueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal insinueren
jijzult insinueren
hijzal insinueren
wijzullen insinueren
julliezullen insinueren
zijzullen insinueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnsinueerd hebben
jijzult geïnsinueerd hebben
hijzal geïnsinueerd hebben
wijzullen geïnsinueerd hebben
julliezullen geïnsinueerd hebben
zijzullen geïnsinueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou insinueren
jijzou insinueren
hijzou insinueren
wijzouden insinueren
julliezouden insinueren
zijzouden insinueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnsinueerd hebben
jijzou geïnsinueerd hebben
hijzou geïnsinueerd hebben
wijzouden geïnsinueerd hebben
julliezouden geïnsinueerd hebben
zijzouden geïnsinueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinsinueer

Translations

  • insinuate, hint at (something)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French insinuer, from Latin īnsinuō. See: Latin 'īnsinuō'.

    Additional Information