instigeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of instigeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: instigeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: instigerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnstigeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinstigeer
jijinstigeert
hijinstigeert
wijinstigeren
jullieinstigeren
zijinstigeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnstigeerd
jijhebt geïnstigeerd
hijheeft geïnstigeerd
wijhebben geïnstigeerd
julliehebben geïnstigeerd
zijhebben geïnstigeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinstigeerde
jijinstigeerde
hijinstigeerde
wijinstigeerden
jullieinstigeerden
zijinstigeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnstigeerd
jijhad geïnstigeerd
hijhad geïnstigeerd
wijhadden geïnstigeerd
julliehadden geïnstigeerd
zijhadden geïnstigeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal instigeren
jijzult instigeren
hijzal instigeren
wijzullen instigeren
julliezullen instigeren
zijzullen instigeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnstigeerd hebben
jijzult geïnstigeerd hebben
hijzal geïnstigeerd hebben
wijzullen geïnstigeerd hebben
julliezullen geïnstigeerd hebben
zijzullen geïnstigeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou instigeren
jijzou instigeren
hijzou instigeren
wijzouden instigeren
julliezouden instigeren
zijzouden instigeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnstigeerd hebben
jijzou geïnstigeerd hebben
hijzou geïnstigeerd hebben
wijzouden geïnstigeerd hebben
julliezouden geïnstigeerd hebben
zijzouden geïnstigeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinstigeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information