geuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of geuren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: geuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: geurend
Past participle - Verleden deelwoord: gegeurd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgeur
jijgeurt
hijgeurt
wijgeuren
julliegeuren
zijgeuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegeurd
jijhebt gegeurd
hijheeft gegeurd
wijhebben gegeurd
julliehebben gegeurd
zijhebben gegeurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgeurde
jijgeurde
hijgeurde
wijgeurden
julliegeurden
zijgeurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegeurd
jijhad gegeurd
hijhad gegeurd
wijhadden gegeurd
julliehadden gegeurd
zijhadden gegeurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal geuren
jijzult geuren
hijzal geuren
wijzullen geuren
julliezullen geuren
zijzullen geuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegeurd hebben
jijzult gegeurd hebben
hijzal gegeurd hebben
wijzullen gegeurd hebben
julliezullen gegeurd hebben
zijzullen gegeurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou geuren
jijzou geuren
hijzou geuren
wijzouden geuren
julliezouden geuren
zijzouden geuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegeurd hebben
jijzou gegeurd hebben
hijzou gegeurd hebben
wijzouden gegeurd hebben
julliezouden gegeurd hebben
zijzouden gegeurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgeur

Translations

  • smell, to have a particular smell, whether good or bad; if descriptive, followed by "like" or "of"
  • waft, waft
  • whiff, waft
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    rieken
    ruiken, stinken
    ruiken
    stinken

    Sample Sentences

    Etymology

    From geur + -en.

    Additional Information