keuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of keuren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: keuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: keurend
Past participle - Verleden deelwoord: gekeurd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkeur
jijkeurt
hijkeurt
wijkeuren
julliekeuren
zijkeuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekeurd
jijhebt gekeurd
hijheeft gekeurd
wijhebben gekeurd
julliehebben gekeurd
zijhebben gekeurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkeurde
jijkeurde
hijkeurde
wijkeurden
julliekeurden
zijkeurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekeurd
jijhad gekeurd
hijhad gekeurd
wijhadden gekeurd
julliehadden gekeurd
zijhadden gekeurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal keuren
jijzult keuren
hijzal keuren
wijzullen keuren
julliezullen keuren
zijzullen keuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekeurd hebben
jijzult gekeurd hebben
hijzal gekeurd hebben
wijzullen gekeurd hebben
julliezullen gekeurd hebben
zijzullen gekeurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou keuren
jijzou keuren
hijzou keuren
wijzouden keuren
julliezouden keuren
zijzouden keuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekeurd hebben
jijzou gekeurd hebben
hijzou gekeurd hebben
wijzouden gekeurd hebben
julliezouden gekeurd hebben
zijzouden gekeurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkeur

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

beoordelen
controleren, ijken, inspecteren, onderzoeken, proeven, testen, toetsen

Sample Sentences

  • [...] te geleiden en verzekerde, dat het een wonder was, dat wij niet allen verongelukt waren. Toen wij verhaalden, welke stelling wij hadden aangenomen en onze paarden in het midden geplaatst hadden, keurden zij dit sterk af, en zeiden dat het vijftig tegen een was, dat wij niet allen verscheurd waren geworden; want de wolven zijn vooral zoo verhit op paarden, maar anders zeer bang voor geweerschoten. [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

1. From a merger of:
2. * Middle Dutch coren (“to test, to assess”), from Old Dutch coron, from Proto-West Germanic *koʀōn. Still found in the derived form bekoren.
3. * Middle Dutch cueren (“to determine”), from Old Dutch *curien, from Proto-West Germanic *kuʀjan. See: Old Dutch 'coron'.

Verbs referencing "keuren"

German, old spelling küren.

Additional Information