stinken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stinken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stinken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stinkend
Past participle - Verleden deelwoord: gestonken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstink
jijstinkt
hijstinkt
wijstinken
julliestinken
zijstinken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestonken
jijhebt gestonken
hijheeft gestonken
wijhebben gestonken
julliehebben gestonken
zijhebben gestonken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstonk
jijstonk
hijstonk
wijstonken
julliestonken
zijstonken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestonken
jijhad gestonken
hijhad gestonken
wijhadden gestonken
julliehadden gestonken
zijhadden gestonken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stinken
jijzult stinken
hijzal stinken
wijzullen stinken
julliezullen stinken
zijzullen stinken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestonken hebben
jijzult gestonken hebben
hijzal gestonken hebben
wijzullen gestonken hebben
julliezullen gestonken hebben
zijzullen gestonken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stinken
jijzou stinken
hijzou stinken
wijzouden stinken
julliezouden stinken
zijzouden stinken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestonken hebben
jijzou gestonken hebben
hijzou gestonken hebben
wijzouden gestonken hebben
julliezouden gestonken hebben
zijzouden gestonken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstink

Translations

  • hum, to smell bad
  • reek, to have or give off a strong, unpleasant smell
  • smell, to have a particular smell, whether good or bad; if descriptive, followed by "like" or "of"
  • stink, have a strong bad smell
  • stink, give an impression of dishonesty or untruth
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    rieken
    geuren, ruiken
    ruiken
    geuren

    Sample Sentences

    • [...] niet. Ik bevond mij nu in de allerbevalligste grot, die men bedenken kon, schoon het er geheel duister was; de grond was droog en effen, en er lag eene soort van keizelzand op, zoodat er geenerlei stinkend of venijnig gedierte, noch eenige vochtigheid aan de wanden te bespeuren was. De ingang alleen was wat moeijelijk, hetgeen mij echter een voordeel toescheen, daar het juist zulk eene veilige [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch stinken, from Old Dutch stincan, from Proto-West Germanic *stinkwan, from Proto-Germanic *stinkwaną. See: Middle Dutch 'stinken', Proto-Germanic '*stinkwaną'.

    Verbs referencing "stinken"

    English stink, German, old spelling stinken, Low Saxon stinken, Sranan tingi.

    Additional Information