fomenteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fomenteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fomenteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fomenterend
Past participle - Verleden deelwoord: gefomenteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfomenteer
jijfomenteert
hijfomenteert
wijfomenteren
julliefomenteren
zijfomenteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefomenteerd
jijhebt gefomenteerd
hijheeft gefomenteerd
wijhebben gefomenteerd
julliehebben gefomenteerd
zijhebben gefomenteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfomenteerde
jijfomenteerde
hijfomenteerde
wijfomenteerden
julliefomenteerden
zijfomenteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefomenteerd
jijhad gefomenteerd
hijhad gefomenteerd
wijhadden gefomenteerd
julliehadden gefomenteerd
zijhadden gefomenteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fomenteren
jijzult fomenteren
hijzal fomenteren
wijzullen fomenteren
julliezullen fomenteren
zijzullen fomenteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefomenteerd hebben
jijzult gefomenteerd hebben
hijzal gefomenteerd hebben
wijzullen gefomenteerd hebben
julliezullen gefomenteerd hebben
zijzullen gefomenteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fomenteren
jijzou fomenteren
hijzou fomenteren
wijzouden fomenteren
julliezouden fomenteren
zijzouden fomenteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefomenteerd hebben
jijzou gefomenteerd hebben
hijzou gefomenteerd hebben
wijzouden gefomenteerd hebben
julliezouden gefomenteerd hebben
zijzouden gefomenteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfomenteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information