afmonteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afmonteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afmonteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afmonterend
Past participle - Verleden deelwoord: afgemonteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmonteer af
jijmonteert af
hijmonteert af
wijmonteren af
julliemonteren af
zijmonteren af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgemonteerd
jijhebt afgemonteerd
hijheeft afgemonteerd
wijhebben afgemonteerd
julliehebben afgemonteerd
zijhebben afgemonteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmonteerde af
jijmonteerde af
hijmonteerde af
wijmonteerden af
julliemonteerden af
zijmonteerden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgemonteerd
jijhad afgemonteerd
hijhad afgemonteerd
wijhadden afgemonteerd
julliehadden afgemonteerd
zijhadden afgemonteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afmonteren
jijzult afmonteren
hijzal afmonteren
wijzullen afmonteren
julliezullen afmonteren
zijzullen afmonteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgemonteerd hebben
jijzult afgemonteerd hebben
hijzal afgemonteerd hebben
wijzullen afgemonteerd hebben
julliezullen afgemonteerd hebben
zijzullen afgemonteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afmonteren
jijzou afmonteren
hijzou afmonteren
wijzouden afmonteren
julliezouden afmonteren
zijzouden afmonteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgemonteerd hebben
jijzou afgemonteerd hebben
hijzou afgemonteerd hebben
wijzouden afgemonteerd hebben
julliezouden afgemonteerd hebben
zijzouden afgemonteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmonteer af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information