fermenteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fermenteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fermenteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fermenterend
Past participle - Verleden deelwoord: gefermenteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfermenteer
jijfermenteert
hijfermenteert
wijfermenteren
julliefermenteren
zijfermenteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefermenteerd
jijhebt gefermenteerd
hijheeft gefermenteerd
wijhebben gefermenteerd
julliehebben gefermenteerd
zijhebben gefermenteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfermenteerde
jijfermenteerde
hijfermenteerde
wijfermenteerden
julliefermenteerden
zijfermenteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefermenteerd
jijhad gefermenteerd
hijhad gefermenteerd
wijhadden gefermenteerd
julliehadden gefermenteerd
zijhadden gefermenteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fermenteren
jijzult fermenteren
hijzal fermenteren
wijzullen fermenteren
julliezullen fermenteren
zijzullen fermenteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefermenteerd hebben
jijzult gefermenteerd hebben
hijzal gefermenteerd hebben
wijzullen gefermenteerd hebben
julliezullen gefermenteerd hebben
zijzullen gefermenteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fermenteren
jijzou fermenteren
hijzou fermenteren
wijzouden fermenteren
julliezouden fermenteren
zijzouden fermenteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefermenteerd hebben
jijzou gefermenteerd hebben
hijzou gefermenteerd hebben
wijzouden gefermenteerd hebben
julliezouden gefermenteerd hebben
zijzouden gefermenteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfermenteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information