foeteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of foeteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: foeteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: foeterend
Past participle - Verleden deelwoord: gefoeterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfoeter
jijfoetert
hijfoetert
wijfoeteren
julliefoeteren
zijfoeteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefoeterd
jijhebt gefoeterd
hijheeft gefoeterd
wijhebben gefoeterd
julliehebben gefoeterd
zijhebben gefoeterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfoeterde
jijfoeterde
hijfoeterde
wijfoeterden
julliefoeterden
zijfoeterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefoeterd
jijhad gefoeterd
hijhad gefoeterd
wijhadden gefoeterd
julliehadden gefoeterd
zijhadden gefoeterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal foeteren
jijzult foeteren
hijzal foeteren
wijzullen foeteren
julliezullen foeteren
zijzullen foeteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefoeterd hebben
jijzult gefoeterd hebben
hijzal gefoeterd hebben
wijzullen gefoeterd hebben
julliezullen gefoeterd hebben
zijzullen gefoeterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou foeteren
jijzou foeteren
hijzou foeteren
wijzouden foeteren
julliezouden foeteren
zijzouden foeteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefoeterd hebben
jijzou gefoeterd hebben
hijzou gefoeterd hebben
wijzouden gefoeterd hebben
julliezouden gefoeterd hebben
zijzouden gefoeterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfoeter

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

knorren
mopperen, razen, uitvaren, vloeken

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French foutre. See: French 'foutre'.

Additional Information