tormenteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tormenteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tormenteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tormenterend
Past participle - Verleden deelwoord: getormenteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktormenteer
jijtormenteert
hijtormenteert
wijtormenteren
jullietormenteren
zijtormenteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getormenteerd
jijhebt getormenteerd
hijheeft getormenteerd
wijhebben getormenteerd
julliehebben getormenteerd
zijhebben getormenteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktormenteerde
jijtormenteerde
hijtormenteerde
wijtormenteerden
jullietormenteerden
zijtormenteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getormenteerd
jijhad getormenteerd
hijhad getormenteerd
wijhadden getormenteerd
julliehadden getormenteerd
zijhadden getormenteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tormenteren
jijzult tormenteren
hijzal tormenteren
wijzullen tormenteren
julliezullen tormenteren
zijzullen tormenteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getormenteerd hebben
jijzult getormenteerd hebben
hijzal getormenteerd hebben
wijzullen getormenteerd hebben
julliezullen getormenteerd hebben
zijzullen getormenteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tormenteren
jijzou tormenteren
hijzou tormenteren
wijzouden tormenteren
julliezouden tormenteren
zijzouden tormenteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getormenteerd hebben
jijzou getormenteerd hebben
hijzou getormenteerd hebben
wijzouden getormenteerd hebben
julliezouden getormenteerd hebben
zijzouden getormenteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtormenteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information