dementeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dementeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dementeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dementerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedementeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdementeer
jijdementeert
hijdementeert
wijdementeren
julliedementeren
zijdementeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedementeerd
jijhebt gedementeerd
hijheeft gedementeerd
wijhebben gedementeerd
julliehebben gedementeerd
zijhebben gedementeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdementeerde
jijdementeerde
hijdementeerde
wijdementeerden
julliedementeerden
zijdementeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedementeerd
jijhad gedementeerd
hijhad gedementeerd
wijhadden gedementeerd
julliehadden gedementeerd
zijhadden gedementeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dementeren
jijzult dementeren
hijzal dementeren
wijzullen dementeren
julliezullen dementeren
zijzullen dementeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedementeerd hebben
jijzult gedementeerd hebben
hijzal gedementeerd hebben
wijzullen gedementeerd hebben
julliezullen gedementeerd hebben
zijzullen gedementeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dementeren
jijzou dementeren
hijzou dementeren
wijzouden dementeren
julliezouden dementeren
zijzouden dementeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedementeerd hebben
jijzou gedementeerd hebben
hijzou gedementeerd hebben
wijzouden gedementeerd hebben
julliezouden gedementeerd hebben
zijzouden gedementeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdementeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

loochenen
ontkennen

Sample Sentences

Etymology

From dement + -eren.

Additional Information