draaien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of draaien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: draaien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: draaiend
Past participle - Verleden deelwoord: gedraaid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdraai
jijdraait
hijdraait
wijdraaien
julliedraaien
zijdraaien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedraaid
jijhebt gedraaid
hijheeft gedraaid
wijhebben gedraaid
julliehebben gedraaid
zijhebben gedraaid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdraaide
jijdraaide
hijdraaide
wijdraaiden
julliedraaiden
zijdraaiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedraaid
jijhad gedraaid
hijhad gedraaid
wijhadden gedraaid
julliehadden gedraaid
zijhadden gedraaid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal draaien
jijzult draaien
hijzal draaien
wijzullen draaien
julliezullen draaien
zijzullen draaien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedraaid hebben
jijzult gedraaid hebben
hijzal gedraaid hebben
wijzullen gedraaid hebben
julliezullen gedraaid hebben
zijzullen gedraaid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou draaien
jijzou draaien
hijzou draaien
wijzouden draaien
julliezouden draaien
zijzouden draaien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedraaid hebben
jijzou gedraaid hebben
hijzou gedraaid hebben
wijzouden gedraaid hebben
julliezouden gedraaid hebben
zijzouden gedraaid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdraai

Translations

  • bend, to change direction
  • gyrate, to revolve round a central point; to move spirally about an axis, as a tornado; to revolve
  • lathe, to shape with a lathe
  • refract, to change direction
  • slew, to rotate or turn something about its axis
  • slew, to pivot
  • spin, to turn around quickly
  • turn, to move around an axis through itself
  • turn, to change the direction or orientation of, especially by rotation
  • tweak, to pinch and pull with a sudden jerk and twist; to twitch
  • writhe, to twist or contort the body
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    keren
    manoeuvreren, wentelen, zwenken
    cirkelen
    roteren, scharnieren, tollen
    kenteren
    krimpen, ruimen, wenden

    Sample Sentences

    • [...] dieper in zee gaan. " Hij vermoedde niets kwaads, maar stemde er in toe, en daar hij voor in de boot was, stelde hij de zeilen. Daar ik aan het roer zat, liet ik het eene mijl in zee loopen, en draaide toen bij als om te visschen. Ik gaf daarop den jongen het roer, liep naar voren, bukte als om iets op te rapen, greep den Moor onverhoeds bij den gordel, en wierp hem over boord. Hij kwam bijkans op [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] hun door teekens te kennen, dat ik voornamelijk wat eten wenschte. Zij wezen mij, dat ik de boot stil zou doen liggen, en dat zij mij wat spijs zouden bezorgen. Ik streek mijn zeil gedeeltelijk en draaide bij, en twee hunner liepen landwaarts in, en kwamen een halfuur daarna terug, met twee stukken gedroogd vleesch, en eenig koorn, gelijk het land daar oplevert. Hoewel wij niet wisten wat een van [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch drâyen, from Old Dutch thrāien, from Proto-West Germanic *þrāan, from Proto-Germanic *þrēaną, from Proto-Indo-European *terh₁-. See: Proto-Germanic '*þrēaną'.

    Verbs referencing "draaien"

    English throw, German, old spelling drehen, Old English þrawan, Afrikaans draai, Danish dreje, Luxembourgish dréien, Old Saxon thraian, Papiamento drai.

    Additional Information