Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: draaien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: draaiend
Past participle - Verleden deelwoord: gedraaid
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | draai |
| jij | draait |
| hij | draait |
| wij | draaien |
| jullie | draaien |
| zij | draaien |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gedraaid |
| jij | hebt gedraaid |
| hij | heeft gedraaid |
| wij | hebben gedraaid |
| jullie | hebben gedraaid |
| zij | hebben gedraaid |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | draaide |
| jij | draaide |
| hij | draaide |
| wij | draaiden |
| jullie | draaiden |
| zij | draaiden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gedraaid |
| jij | had gedraaid |
| hij | had gedraaid |
| wij | hadden gedraaid |
| jullie | hadden gedraaid |
| zij | hadden gedraaid |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal draaien |
| jij | zult draaien |
| hij | zal draaien |
| wij | zullen draaien |
| jullie | zullen draaien |
| zij | zullen draaien |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gedraaid hebben |
| jij | zult gedraaid hebben |
| hij | zal gedraaid hebben |
| wij | zullen gedraaid hebben |
| jullie | zullen gedraaid hebben |
| zij | zullen gedraaid hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou draaien |
| jij | zou draaien |
| hij | zou draaien |
| wij | zouden draaien |
| jullie | zouden draaien |
| zij | zouden draaien |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gedraaid hebben |
| jij | zou gedraaid hebben |
| hij | zou gedraaid hebben |
| wij | zouden gedraaid hebben |
| jullie | zouden gedraaid hebben |
| zij | zouden gedraaid hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'draaien'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'draaien'
kraaien,
aaien,
afdraaien,
baaien,
dragen,
draven,
kaaien,
maaien,
naaien,
omdraaien,
Translations
bend, to change direction
gyrate, to revolve round a central point; to move spirally about an axis, as a tornado; to revolve
lathe, to shape with a lathe
refract, to change direction
slew, to rotate or turn something about its axis
slew, to pivot
spin, to turn around quickly
turn, to move around an axis through itself
turn, to change the direction or orientation of, especially by rotation
tweak, to pinch and pull with a sudden jerk and twist; to twitch
writhe, to twist or contort the body
Sample Sentences
-
[...] dieper in zee gaan. " Hij vermoedde niets kwaads, maar stemde er in toe, en daar hij voor in de boot was, stelde hij de zeilen. Daar ik aan het roer zat, liet ik het eene mijl in zee loopen, en draaide toen bij als om te visschen. Ik gaf daarop den jongen het roer, liep naar voren, bukte als om iets op te rapen, greep den Moor onverhoeds bij den gordel, en wierp hem over boord. Hij kwam bijkans op [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] hun door teekens te kennen, dat ik voornamelijk wat eten wenschte. Zij wezen mij, dat ik de boot stil zou doen liggen, en dat zij mij wat spijs zouden bezorgen. Ik streek mijn zeil gedeeltelijk en draaide bij, en twee hunner liepen landwaarts in, en kwamen een halfuur daarna terug, met twee stukken gedroogd vleesch, en eenig koorn, gelijk het land daar oplevert. Hoewel wij niet wisten wat een van [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch drâyen, from Old Dutch thrāien, from Proto-West Germanic *þrāan, from Proto-Germanic *þrēaną, from Proto-Indo-European *terh₁-. See: Proto-Germanic '
*þrēaną'.
Verbs referencing "draaien"
English
throw, German, old spelling
drehen, Old English
þrawan, Afrikaans
draai, Danish
dreje, Luxembourgish
dréien, Old Saxon
thraian, Papiamento
drai.
Additional Information