tollen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tollen

The word "tollen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tollen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tollend
Past participle - Verleden deelwoord: getold

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktol
jijtolt
hijtolt
wijtollen
jullietollen
zijtollen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getold
jijhebt getold
hijheeft getold
wijhebben getold
julliehebben getold
zijhebben getold

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktolde
jijtolde
hijtolde
wijtolden
jullietolden
zijtolden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getold
jijhad getold
hijhad getold
wijhadden getold
julliehadden getold
zijhadden getold

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tollen
jijzult tollen
hijzal tollen
wijzullen tollen
julliezullen tollen
zijzullen tollen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getold hebben
jijzult getold hebben
hijzal getold hebben
wijzullen getold hebben
julliezullen getold hebben
zijzullen getold hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tollen
jijzou tollen
hijzou tollen
wijzouden tollen
julliezouden tollen
zijzouden tollen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getold hebben
jijzou getold hebben
hijzou getold hebben
wijzouden getold hebben
julliezouden getold hebben
zijzouden getold hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtol

Verbs similar to 'tollen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information